Getypte ambtelijke brief (doorslag of origineel op dun papier).
Origineel
Getypte ambtelijke brief (doorslag of origineel op dun papier). De Minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart (H.C.J.H. Gelissen). Van een verstrekking van meerdere consenten aan Amsterdamsche
importeurs verwacht ik voor Uw Gemeente weinig resultaat, aangezien zelfs
by verkoop over den Amsterdamschen afslag geen zekerheid is te verkrygen
dat de visch inderdaad binnen Uw Gemeente wordt verbruikt.
Bovendien is het niet waarschynlyk, dat er by de huidige groote
vraag naar zeevisch contingentsoverschotten van eenige beteekenis zullen
voorkomen.
Ik zie my derhalve tot myn leedwezen genoodzaakt U te berichten,
dat ik niet aan Uw verzoek kan voldoen.
DE MINISTER VAN HANDEL, NYVERHEID EN
SCHEEPVAART,
w.g. H. Gelissen. * **Kernboodschap:** De minister wijst een verzoek van een gemeente (waarschijnlijk buiten Amsterdam) af om extra importvergunningen ("consenten") toe te kennen aan Amsterdamse handelaren.
- Argumentatie:
- Distributie-onzekerheid: De minister stelt dat verkoop via de Amsterdamse visafslag niet garandeert dat de vis ook daadwerkelijk in de betreffende gemeente terechtkomt; de vrije marktwerking op de afslag staat lokale toewijzing in de weg.
- Schaarste: Door de grote vraag naar zeevis is er geen sprake van overschotten binnen de vastgestelde quota ("contingentsoverschotten").
- Terminologie: Het gebruik van termen als "consenten" en "contingentsoverschotten" wijst op de geleide economie en het systeem van handelsrestricties dat in de jaren '30 werd ingevoerd om de binnenlandse markt te beschermen en de handel te reguleren (Crisis-Importwet). Dit document stamt uit de late jaren '30, een periode waarin Nederland kampte met de naweeën van de economische depressie en de toenemende dreiging van de Tweede Wereldoorlog. Henri Gelissen was minister van Economische Zaken (Handel, Nijverheid en Scheepvaart) in het kabinet-Colijn IV (1937-1939).
De "contingentering" was een cruciaal instrument van het toenmalige handelsbeleid: de overheid bepaalde precies hoeveel van een product mocht worden geïmporteerd om de eigen productie en deviezenvoorraad te beschermen. De brief illustreert de spanning tussen gemeentelijke behoeften aan voedselzekerheid en de strikte centrale regie vanuit Den Haag in een tijd van toenemende schaarste en mobilisatie (gezien de datering eind 1939). De doorschijnende tekst op de achterzijde ("Den Haag, ... December 1939") bevestigt dat dit schrijven kort na het uitbreken van de oorlog in Europa is opgesteld, een fase waarin de voedselvoorziening een nijpende politieke kwestie werd. H. Gelissen H.C.J.H. Gelissen
Samenvatting
- Kernboodschap: De minister wijst een verzoek van een gemeente (waarschijnlijk buiten Amsterdam) af om extra importvergunningen ("consenten") toe te kennen aan Amsterdamse handelaren.
- Argumentatie:
- Distributie-onzekerheid: De minister stelt dat verkoop via de Amsterdamse visafslag niet garandeert dat de vis ook daadwerkelijk in de betreffende gemeente terechtkomt; de vrije marktwerking op de afslag staat lokale toewijzing in de weg.
- Schaarste: Door de grote vraag naar zeevis is er geen sprake van overschotten binnen de vastgestelde quota ("contingentsoverschotten").
- Terminologie: Het gebruik van termen als "consenten" en "contingentsoverschotten" wijst op de geleide economie en het systeem van handelsrestricties dat in de jaren '30 werd ingevoerd om de binnenlandse markt te beschermen en de handel te reguleren (Crisis-Importwet).
Historische Context
Dit document stamt uit de late jaren '30, een periode waarin Nederland kampte met de naweeën van de economische depressie en de toenemende dreiging van de Tweede Wereldoorlog. Henri Gelissen was minister van Economische Zaken (Handel, Nijverheid en Scheepvaart) in het kabinet-Colijn IV (1937-1939).
De "contingentering" was een cruciaal instrument van het toenmalige handelsbeleid: de overheid bepaalde precies hoeveel van een product mocht worden geïmporteerd om de eigen productie en deviezenvoorraad te beschermen. De brief illustreert de spanning tussen gemeentelijke behoeften aan voedselzekerheid en de strikte centrale regie vanuit Den Haag in een tijd van toenemende schaarste en mobilisatie (gezien de datering eind 1939). De doorschijnende tekst op de achterzijde ("Den Haag, ... December 1939") bevestigt dat dit schrijven kort na het uitbreken van de oorlog in Europa is opgesteld, een fase waarin de voedselvoorziening een nijpende politieke kwestie werd.