Getypte ambtelijke brief.
Origineel
Getypte ambtelijke brief. 5 december 1936. De Directeur (naam niet vermeld, werkzaam binnen de gemeente Amsterdam). De Heer Voorzitter van den Levensmiddelenraad, Raadhuis, Amsterdam ("Alhier"). VP/HG.
47/4/2 M.
1
5 December 1936.
Rapport Commissie voor Visch
inzake aanvoer buitenlandsche
visch in Amsterdam.
den Heer Voorzitter
van den Levensmiddelenraad
Raadhuis
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d.
1 dezer om advies ontvangen stuk no.1/28 L.M.R.1936 heb
ik de eer U te berichten, dat ik U omtrent de onderha-
vige aangelegenheid rapporteerde in mijn brief d.d. 23
October j.l. (No.46/148/1 M.). Zooals ik ter vergadering
van de Commissie voor Visch d.d. 11 November j.l. mede-
deelde, is mij bij mijn bezoek aan den Directeur der
Nederlandsche Visscherijcentrale gebleken, dat men niet
bereid is om extra consenten voor Amsterdam af te geven
en dat men evenmin iets wil doen ten aanzien van de con-
senten, die overblijven. Wat deze laatste betreft merk
ik trouwens op, dat eerst aan het einde van het jaar kan
worden beoordeeld, welke consenten niet zijn gebruikt;
werden deze aan Amsterdam verleend, dan zou dit in feite
beteekenen, dat voor het volgende jaar een extra-consent
aan Amsterdam wordt gegeven.
Ik moge aan Uw beter oordeel overlaten of het ge-
wenscht is, dat Burgemeester en Wethouders zich inzake
de onderhavige aangelegenheid tot de Regeering wenden,
aangezien de waarschijnlijkheid zeer groot is, dat op
het verzoek afwijzend zal worden beschikt.
De Directeur, Deze brief is een formeel ambtelijk advies over de visvoorziening in Amsterdam tijdens de crisisjaren. De kern van het probleem is een tekort aan importvergunningen ("consenten") voor buitenlandse vis. Uit de tekst blijkt dat de lokale autoriteiten in Amsterdam hebben geprobeerd om bij de Nederlandsche Visscherijcentrale (een centraal reguleringsorgaan) extra quota te bemachtigen, maar dat dit is geweigerd. De directeur adviseert de Levensmiddelenraad negatief over een eventuele stap naar de landelijke regering, omdat hij de kans op succes zeer klein acht ("zeer groot is, dat op het verzoek afwijzend zal worden beschikt"). De brief illustreert de strakke regulering van de voedselmarkt en de beperkte bewegingsvrijheid van gemeenten in die tijd. De brief dateert uit december 1936, een periode waarin de wereldwijde economische depressie Nederland nog steeds stevig in haar greep hield. De Nederlandse regering voerde een politiek van economische aanpassing en protectionisme. De "Nederlandsche Visscherijcentrale" (NVC) was in 1933 opgericht als onderdeel van de Crisis-Visserijwet om de visserijsector te reguleren en te steunen via importbeperkingen en prijsbewaking. Amsterdam, als grootste stad, kampte met de uitdaging om de bevolking van voldoende en betaalbaar voedsel te voorzien binnen de grenzen van de nationale crisiswetgeving. De "Levensmiddelenraad" in de brief was een adviesorgaan van de gemeente Amsterdam dat toezag op de voedseldistributie en -voorziening in de stad.