Archiefdocument
Origineel
11 november 1936 (afgeleid van "11 November 6." en de jaartallen in de tabel). Onbekend (waarschijnlijk de directeur van de visafslag of een betrokken ambtenaar). 1. 11 November 6.
46/151/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen,
voet van tabel No.20 wordt opgesomd, moet hier terzijde
worden gelaten, aangezien de inhoud der vaartuigen in
kilogrammen niet bekend is; zoodat ook hierin nog weer fac-
toren schuilen, die de statistiek kunnen beïnvloeden).
Ook de bewering, dat de stijging van het totaal
bedrag van de in den afslag verkochte visch uitsluitend het
gevolg is van een prijsstijging van niet minder dan 100%
moet ik weerleggen. Onderstaande opgaaf van den prijs van
kleine schol (de voor den venter belangrijkste soort visch)
in een ongeveer gelijke periode in de jaren 1933, 1935 en
1936 toont voldoende aan, dat de prijs van deze soort niet
belangrijk is gestegen en dat een opbrengst van ± f 13,- per
kist ook in 1933 genoteerd kon worden.
Kleine schol.
1933. 1935.
12 October f 11,- tot f 12,- 12 October f 5,- tot f 6,-
13 October f 9,- tot f 11,50 16 October f 6,- tot f 7,-
19 October f 12,50 17 October f 5,50 tot f 8,50
1936.
13 October f 7,50 tot f 8,-
15 October f 9,-
16 October f 10,50 tot f 13,-.
De aanvoer op den afslag in 1935 is ten opzichte
van dien in 1933 met niet minder dan f 34.532,98 vooruitgegaan,
hetgeen een stijging beteekent van 17%. Deze stijging werd
niet veroorzaakt door hoogere vischprijzen, doch brengt wel
degelijk verhoogde aanvoer van visch op den afslag tot
uitdrukking. Deze verhoogde aanvoer dient gedeeltelijk te
worden toegeschreven aan een verschuiving van aanvoer van het
buitenterrein naar den afslag. Immers van verscheidenen
soorten visch, die in 1933 slechts in zeer geringe hoeveel-
heden op den afslag werden gebracht, werden in 1935 flinke
partijen op den afslag verkocht, hetgeen onderstaand over-
zicht aantoont. Dit document is een ambtelijk verweer tegen de bewering dat visprijzen in Amsterdam extreem gestegen zouden zijn (met 100%). De auteur gebruikt specifieke prijsgegevens van "kleine schol" uit oktober 1933, 1935 en 1936 om aan te tonen dat de prijzen per kist stabiel zijn gebleven of zelfs zijn gedaald.
De auteur verklaart de gestegen totale omzet op de visafslag (een stijging van 17% in waarde) niet door inflatie, maar door een toename in het volume aanvoer. Een cruciaal detail is de opmerking over de verschuiving van het "buitenterrein" naar de "afslag". Dit wijst op een succesvolle centralisatie van de vismarkt: handel die voorheen buiten de officiële veiling om gebeurde, vindt nu vaker plaats onder officieel toezicht. De brief is geschreven tijdens de economische crisis van de jaren 30. De betaalbaarheid van voedsel was een heet hangijzer voor het stadsbestuur. "Kleine schol" was een essentieel volksvoedsel dat door "venters" (straathandelaren) aan de Amsterdamse bevolking werd verkocht. De Wethouder voor de Levensmiddelen had de taak om toe te zien op een stabiele en eerlijke voedselvoorziening. De genoemde verschuiving van het "buitenterrein" (vrije, vaak ongereguleerde handel) naar de "afslag" (de gereguleerde gemeentelijke vismarkt) paste in het beleid om meer grip te krijgen op de kwaliteit en prijsvorming van levensmiddelen in de hoofdstad.