Getypte statistische rapportage (waarschijnlijk een doorslag of stencildruk).
Origineel
Getypte statistische rapportage (waarschijnlijk een doorslag of stencildruk). (Pagina 2)
Niet alleen in het geheele jaar, ook in het laatste kwartaal waren geboorte en sterfte (resp. 2804 en 1626) ongeveer gelyk aan die in het laatste kwartaal van het vorige jaar (resp. 2768 en 1602). Ook wat de afzonderlyke doodsoorzaken aangaat weken de cyfers van 1935 weinig af van die in het vorige jaar. De zuigelingensterfte was lager (2.8 per 100 levend geborenen tegen 3.5 in 1934).
Het aantal voltrokken huwelyken was eenigszins hooger (6739 tegen 6689), hoewel er in het laatste kwartaal minder tot stand kwamen (1550 tegen 1611). Echtscheidingen werden er minder ingeschreven, zoowel in het geheele jaar 1935 als in het laatste kwartaal (606 en 148 tegen 636 en 175).
Het aantal verhuizingen binnen de gemeente, dat in 1934 reeds belangryk hooger was dan in 1933, nam ook in 1935 nog toe. 53.073 gezinnen veranderden van woning tegen 48.970 in 1934 en 38.947 in 1933.
Het aantal in de ziekenhuizen verpleegde patiënten was dit jaar ongeveer gelyk aan dat in 1934 (40.424 tegen 40.615). Daarentegen bedroeg het aantal verpleegdagen slechts 1.166.027 tegen 1.202.942 in het vorige jaar. In de laatste drie maanden was niet alleen het aantal verpleegden, doch ook dat der verpleegdagen lager (12.224 en 289.847 tegen 12.424 en 295.504 in de laatste maanden van 1934).
Besmettelyke ziekten kwamen in 1935 veel minder voor (1676 gevallen tegen 2125). Zoowel het aantal gevallen van roodvonk (1234 tegen 1520) als dat van diphterie (135 tegen 352) nam af. Dysenterie kwam meer voor (223 tegen 119). Ook in het vierde kwartaal was de toestand gunstiger dan in de overeenkomstige periode van het vorige jaar (in totaal 413 gevallen tegen 652).
Verkeer.
De zeescheepvaart vertoont in 1935 ten opzichte van 1934, toen ten aanzien van 1933 een kleiner aantal aangekomen schepen met een grooter inhoud viel te vermelden, een achteruitgang. Er kwamen 2893 (3222) schepen aan met een inhoud van 19.605.000 (21.984.000) m3 bruto; aantal zoowel als inhoud liepen dus met ongeveer 10% terug; vooral het aantal schepen met hout was lager (128 tegen 224); alleen om te bunkeren kwamen 55 (108) schepen; het aantal, dat in ballast aankwam, bedroeg 271 (266). In het 4e kwartaal was de achteruitgang iets minder groot; er kwamen 740 (778) schepen aan of byna 5% minder; de inhoud daalde met 8.7% van 5.419.000 m3 tot 4.946.000.
Het aantal opgelegde schepen daalde van 14 op 1 Januari tot 7 op 31 December; de inhoud dier schepen van 94.437 bruto register ton tot 50.747; op 1 October bedroeg het aantal 10 met 58.708 ton.
Kon in 1934 ten opzichte van 1933 op een verlevendiging van de rynvaart worden gewezen, ditmaal moet ook hier een teruggang worden geconstateerd. Het aantal aangekomen schepen daalde met ruim 10% van 1982 tot 1776; de inhoud liep nog iets sterker terug, n.l. met byna 13% van 1.472.000 m3 tot 1.293.000. Grooter was de achteruitgang by het aantal vertrokken schepen (1749 tegen 2056 of 14.9% minder); de inhoud verminderde met 18.8% (van 1.573.000 m3 tot 1.277.000). Verhoudingsgewys ging het verkeer rechtstreeks met Duitschland nog sterker achteruit; er vertrokken 1212 (1461) schepen of 17% minder; de inhoud daalde met 27.7% van 1.078.000 m3 in 1934 tot 833.000 in het afgeloopen jaar. In het 4e kwartaal echter valt hier een verbetering waar te nemen; het aantal vertrokken schepen steeg van 349 in het 4e kw. 1934 tot 433 in het laatste trimester van 1935 dus met ruim 24%; de inhoud met byna 21% (van 261.000 m3 tot 315.000).
De goederenbeweging van en naar het buitenland, zonder bunkerkolen en die voor Nederlandsche schepen, was geringer dan in 1934. In totaal werden aan- en afgevoerd 6.826.000 ton tegen 7.552.000 in 1934 of byna 10% minder; verhoudingsgewys nam het vervoer ter zee iets minder af, nl. met 7.9% (van 5.144.000 ton tot 4.740.000); langs rivieren en kanalen echter iets meer, n.l. met 13% (van 2.226.000 ton tot 1.937.000), evenals per spoor, n.l. met 18.1% (van 182.000 ton tot 149.000). In- en uitvoer liepen beide met ongeveer 14% terug (invoer 3.437.000 ton tegen 4.002.000 in 1934; uitvoer 1.087.000 tegen 1.266.000 in 1934); de doorvoer echter vertoont een geringe toeneming (2.302.000 ton tegen 2.285.000 of 0.7% meer). Daar de aanvoer ter zee in 1935 sedert 1934 was afgenomen (3.185.000 ton tegen 3.657.000) en de afvoer toegenomen (1.556.000 ton tegen 1.487.000), was de * Demografie: De bevolkingsgroei lijkt stabiel. Een opvallend punt is de stijging van het aantal verhuizingen binnen de gemeente, wat kan duiden op een dynamische woningmarkt of sociaal-economische verschuivingen binnen de stad.
* Volksgezondheid: Er is een positieve trend zichtbaar in de daling van kindersterfte en infectieziekten zoals roodvonk en difterie. Een negatieve uitzondering is de stijging van het aantal gevallen van dysenterie. De efficiëntie in ziekenhuizen lijkt toe te nemen (hetzelfde aantal patiënten met minder verpleegdagen).
* Economie en Scheepvaart: Dit deel van het document is cruciaal voor de economische geschiedschrijving. Er is sprake van een significante recessie in 1935. Zowel de zeescheepvaart als de Rijnvaart laten een daling van circa 10% zien.
* Handel met Duitsland: De tekst benadrukt een sterke achteruitgang in de handel met Duitsland (27,7% daling in volume). Dit is historisch interessant gezien de politieke spanningen en de autarkische koers van nazi-Duitsland in die periode.
* Transportmodaliteiten: Terwijl zee- en binnenvaart dalen, is de daling bij het spoorwegvervoer (18,1%) het meest fors. De enige groeicijfers zijn te vinden in de 'doorvoer' (0,7% stijging). Dit document is hoogstwaarschijnlijk een fragment uit het jaarverslag van de gemeente Rotterdam over het jaar 1935. De gedetailleerde cijfers over Rijnvaart, zeescheepvaart en de goederenoverslag per ton zijn kenmerkend voor de rapportages van de Rotterdamse havenautoriteiten of de gemeentelijke statistiek.
Het jaar 1935 valt midden in de nasleep van de Grote Depressie. Nederland hield in deze periode vast aan de gouden standaard (tot september 1936), wat de exportpositie bemoeilijkte ten opzichte van landen die hun munt al hadden gedevalueerd. De gerapporteerde achteruitgang in de havenactiviteiten weerspiegelt de economische malaise en de krimpende wereldhandel in die jaren.