Getypte brief (waarschijnlijk een kopie of doorslag, pagina 2).
Origineel
Getypte brief (waarschijnlijk een kopie of doorslag, pagina 2). 12 januari [191]9. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst voor de voedselvoorziening). 2 12 Januari 9
46A/3/2 den Heer Wethouder voor de
Amsterdam. Levensmiddelen
standigheid en na alles, wat ik reeds gedaan en bemiddeld
had, ook in afzonderlyke gevallen voor Wynschenk, achtte ik
het niet toelaatbaar op 9 Januari jl. nog eens de Visschery-
Centrale te vragen om Wynschenk te helpen aan een extra-con-
sent voor 2 kistjes visch uit Noorwegen, waarvoor hy zelf
verzuimd had aan te vragen.
Ik verwees hem dus naar de Visschery-Centrale,
waar hy dienzelfden dag extra-consent voor Noorsche visch
heeft aangevraagd. Of hy dit krygt, dient, in verband met
het totale toegestane invoerscontingent, te worden afge-
wacht.
Uit bovenstaande uiteenzetting moge U blyken, dat
met extra-consenten slechts zeer weinig te bereiken is voor
een ruimere en met name geregelde voorziening van de Amster-
damsche markt met buitenlandsche visch.
Den heer Wynschenk ware te berichten, dat hy het
antwoord van de Visschery-Centrale op zyn verzoek om extra-
consent voor invoer van visch uit Noorwegen, dient af te
wachten; doch dat voor Burgemeester en Wethouders geen ter-
men bestaan - na de verschillende stappen, die ten deze
reeds werden gedaan - zich voor adressant's persoonlyk be-
lang tot de Visschery-Centrale te wenden.
De Directeur, Dit document is de tweede pagina van een ambtelijk schrijven gericht aan de Amsterdamse wethouder van Levensmiddelen. De kern van de tekst draait om de bureaucratie rondom de voedselvoorziening kort na de Eerste Wereldoorlog. Een zekere heer Wynschenk heeft geprobeerd via de gemeente extra importvergunningen ('extra-consenten') te krijgen voor Noorse vis, nadat hij zelf had verzuimd de reguliere aanvraagprocedure te volgen.
De directeur die de brief schrijft, stelt een duidelijke grens: hij weigert om opnieuw te bemiddelen voor dit individuele belang. Hij voert aan dat dergelijke ad-hoc vergunningen niet bijdragen aan een structurele oplossing voor de visvoorziening op de Amsterdamse markt. Bovendien benadrukt hij dat het college van Burgemeester en Wethouders niet de instantie is om voor persoonlijke commerciële belangen te interveniëren bij de overkoepelende 'Visschery-Centrale'. Hoewel Nederland neutraal bleef tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), ontstonden er enorme tekorten aan voedsel en brandstof door de blokkades ter zee. De overheid stelde centrale organen in, zoals de 'Visschery-Centrale', om de schaarse middelen te beheren en te distribueren via contingenten (quota).
In januari 1919, de datum van dit document, was de oorlog net voorbij, maar de schaarste en de strenge regulering waren nog volop voelbaar. Amsterdam had een eigen wethouder voor Levensmiddelen (destijds de bekende SDAP-politicus Florentinus Marinus Wibaut) om de stedelijke voedselcrisis te beheersen. De brief illustreert de spanning tussen individuele handelaren die via de politiek hun weg probeerden te vinden en de ambtenaren die probeerden vast te houden aan de vastgestelde distributieregels.