Handgeschreven notitie op gelinieerd papier.
Origineel
Handgeschreven notitie op gelinieerd papier. 5 augustus 1859. ~~dus bewust diefstal gepleegd. Dit feit moet naar mijn meening zeer~~
~~streng gestraft worden bijv. door uitsluiting van een maand van de inrichting.~~
A’dam, 5. Aug. ’59
[Handtekening: A. Meylow] * Inhoud: De tekst betreft een tuchtrechtelijke aanbeveling naar aanleiding van een diefstal. De schrijver kwalificeert het vergrijp als "bewust" en stelt een zware straf voor: een maand uitsluiting van de betreffende "inrichting".
* Doorhaling: De tekst is integraal doorgestreept. Dit kan betekenen dat het advies niet is opgevolgd, dat de strafmaat is gewijzigd, of dat de notitie als concept diende voor een officieel rapport.
* Taalgebruik: Het taalgebruik is zakelijk en autoritair, kenmerkend voor de 19e-eeuwse bureaucreatie van instellingen. In het Amsterdam van het midden van de 19e eeuw bestonden talloze "inrichtingen", variërend van weeshuizen (zoals het Burgerweeshuis) tot werkhuizen en opvangcentra voor armen. Binnen deze instellingen gold een strikt regime. "Uitsluiting" was een zware sanctie, omdat de betrokkene daarmee tijdelijk zijn recht op onderdak, voedsel en bescherming verloor, wat in die tijd vaak leidde tot grote persoonlijke nood. De datum, 1859, valt in een periode waarin de sociale zorg in Nederland nog sterk gebaseerd was op een combinatie van tucht en liefdadigheid. A. Meylow
Samenvatting
- Inhoud: De tekst betreft een tuchtrechtelijke aanbeveling naar aanleiding van een diefstal. De schrijver kwalificeert het vergrijp als "bewust" en stelt een zware straf voor: een maand uitsluiting van de betreffende "inrichting".
- Doorhaling: De tekst is integraal doorgestreept. Dit kan betekenen dat het advies niet is opgevolgd, dat de strafmaat is gewijzigd, of dat de notitie als concept diende voor een officieel rapport.
- Taalgebruik: Het taalgebruik is zakelijk en autoritair, kenmerkend voor de 19e-eeuwse bureaucreatie van instellingen.
Historische Context
In het Amsterdam van het midden van de 19e eeuw bestonden talloze "inrichtingen", variërend van weeshuizen (zoals het Burgerweeshuis) tot werkhuizen en opvangcentra voor armen. Binnen deze instellingen gold een strikt regime. "Uitsluiting" was een zware sanctie, omdat de betrokkene daarmee tijdelijk zijn recht op onderdak, voedsel en bescherming verloor, wat in die tijd vaak leidde tot grote persoonlijke nood. De datum, 1859, valt in een periode waarin de sociale zorg in Nederland nog sterk gebaseerd was op een combinatie van tucht en liefdadigheid.