Getypte notulen/verslag van een vergadering (pagina 10 en 11).
Origineel
Getypte notulen/verslag van een vergadering (pagina 10 en 11). -10-
Spreker vervolgt met te zeggen dat er thans ongeveer 90 stoom-trawlers in IJmuiden zijn, welke een uitvaartcertificaat hebben; echter zijn er gemiddeld 60 in de vaart. Het hoogste aantal in de vaart zijnde schepen is geweest 87, het laagste aantal 35. Het is voor de reeders een onmogelijkheid om alle 90 schepen in de vaart te houden, omdat zij dan duizenden en duizenden guldens in hun bedrijf zouden moeten bijpassen. Het vraagstuk ligt dus niet zoo, dat de Regeering niet voldoende schepen in de vaart wil brengen. Spreker komt thans terug op zijn conclusie dat de organisaties zelf een onderzoek hebben in te stellen, welke conclusie spreker nog grondt op het feit, dat de organisaties over betere middelen beschikken dan de Commissie ten dienste zullen staan. Tot zoo lang wil spreker het vraagstuk in de Commissie laten rusten.
De heer S. Presser zegt dat zijn bedoeling geen andere is geweest dan te komen tot een onderzoek naar de mogelijkheden van een gezonde vischdistributie in Amsterdam. Spreker merkt op, dat het voor de venters niet maatgevend is als de omzet in den winkel van den heer Rienstra is toegenomen. De venters staan nu eenmaal voor geheel andere moeilijkheden dan de winkeliers. Zij kunnen bijvoorbeeld niet naar IJmuiden gaan om te koopen, want zij moeten om 9 uur in hun wijken zijn. Met den Voorzitter verschilt spreker van meening omtrent de mogelijkheden, welke den organisaties en een kleine commissie uit de Vischcommissie ten dienste staan. Volgens spreker kan slechts de Commissie een onderzoek instellen dat beteekenis zal hebben en dus meent hij zijn voorstel te moeten handhaven.
De heer van der Laan zegt dat er dus feitelijk 2 voorstellen zijn, n.l. één tot het benoemen van een studiecommissie uit de Commissie voor Visch en een tweede, dat bedoelt de organisaties voorstellen over concrete punten te laten doen. Wanneer zonder het aangeven van richtlijnen een studiecommissie wordt benoemd, dan zal die moeten beginnen met ook een groote studie te maken van allerlei zaken van het visscherijvraagstuk, als het pufverbod en de contingenteering, de economie van het bedrijf in IJmuiden e.d. en dan zal deze commissie dus komen op terreinen, waar zij geen toegang kan krijgen. Een dergelijke methode noemt spreker niet alleen onjuist, maar ook onzakelijk en te langdurig. Beter lijkt het hem enkele bepaalde voorstellen in overweging te nemen dan een studie te verrichten in het wilde weg.
Mevrouw Huisman is eveneens van oordeel, dat men slechts tot resultaten kan komen, indien de organisaties bepaalde voorstellen doen, welke de Commissie in studie kan nemen.
De heer S. Presser merkt op, dat verschillende commissieleden blijkbaar de mogelijkheid van de oplossing niet zien en de moeilijkheden nu willen verleggen naar de organisaties. Hij vraagt zich af wat de organisaties zullen moeten doen. De voorsteller is uitgegaan van de gedachte dat er iets gedaan moet worden ter verbetering van de vischvoorziening van Amsterdam. Dat echter kan de Commissie niet doen zonder dat er richtlijnen zijn, doch spreker meent, dat ook de organisaties dat niet kunnen en dat ook een studie van dien kant dus geen nut zal hebben.
-11-
De heer Rienstra vraagt of de Gemeente geen visch in IJmuiden voor de venters zou kunnen koopen en die visch in den Amsterdamschen afslag zou kunnen leggen. Dit behoeft volgens spreker niet gepaard te gaan met kosten, althans niet met grootere kosten dan thans aan steun wordt besteed. De hoofdzaak moet toch immers zijn, dat de venters in Amsterdam visch kunnen koopen.
De heer van der Laan gelooft niet dat zooiets zou kunnen gebeuren. Spreker is van meening, dat van de organisaties mag worden verwacht, dat zij richtlijnen aangeven, waarop desnoods de Commissie een onderzoek kan instellen. Een zoodanige methode zal sneller werken en van meer praktische waarde zijn.
De Voorzitter brengt in stemming het voorstel van den heer S. Presser om uit de Commissie een studiecommissie te benoemen. Dit voorstel wordt aangenomen met 5 tegen 4 stemmen. Voor stemmen de heeren Rienstra, S. Presser, van Zanten, Rooseman en L. Presser; tegen stemmen de dames Huisman-van Kol en Luiting-Meyer, de heer Schildmeyer en de Voorzitter.
Waar slechts de heeren L. Presser, Rooseman, van Zanten en S. Presser zich voor deze kleine commissie beschikbaar stellen, worden deze vier heeren in deze Commissie benoemd. Als secretaris zal optreden de heer Besanger.
De Voorzitter zegt, dat dit punt thans van de agenda van de Commissie wordt afgevoerd, tot het oogenblik waarop de kleine Commissie rapport heeft uitgebracht.
Punt 4. Rondvraag.
Bij de Rondvraag wenscht niemand het woord.
Hierop wordt de vergadering gesloten.
Goedgekeurd in de vergadering van
(get.) Voorzitter
VM
(get.) Secretaris. Dit document verslaat een formele discussie over de logistieke en economische uitdagingen van de visvoorziening in Amsterdam. De kern van het debat ligt in de methodiek: moet een officiële commissie (de Vischcommissie) zelfstandig onderzoek doen, of moeten de beroepsorganisaties eerst met plannen komen?
De heer S. Presser is de drijvende kracht achter een interne studiecommissie, omdat hij vindt dat de verantwoordelijkheid niet bij de organisaties alleen kan liggen. Tegenstanders, zoals Van der Laan en Mevrouw Huisman-van Kol, vrezen dat een te brede studie onnodig lang gaat duren en complexe dossiers (zoals de pufvisserij en contingentering) onnodig zal openmaken. Interessant is het voorstel van Rienstra om de Gemeente Amsterdam direct te laten interveniëren door zelf vis in te kopen in IJmuiden ter ondersteuning van de Amsterdamse visventers. Uiteindelijk wordt met een minimale meerderheid besloten tot het instellen van een kleine studiecommissie. De tekst biedt een inkijkje in de sociaaleconomische ordening van de voedselvoorziening in de vroege 20e eeuw. De vermelding van "stoom-trawlers" en "contingenteering" (quota) duidt op een periode waarin de visserijsector professionaliseerde maar ook te maken kreeg met overheidsregulering, waarschijnlijk in de jaren na de Eerste Wereldoorlog of tijdens de economische crisis van de jaren '30.
De spanning tussen de 'winkeliers' en de 'venters' (straatverkopers) is een typisch Amsterdams stadsbeeld uit die tijd. Venters hadden een zwakkere onderhandelingspositie omdat zij fysiek niet in staat waren zelf de afslag in IJmuiden te bezoeken en op tijd terug te zijn voor hun rondes. De betrokkenheid van figuren als Mevrouw Huisman-van Kol (mogelijk de bekende feministe en socialiste Nellie van Kol of een direct familielid) suggereert dat deze commissie een serieuze maatschappelijke en politieke lading had binnen het gemeentebestuur.