Archief 745
Inventaris 745-324
Pagina 370
Dossier 11
Jaar 1940
Stadsarchief

Handgeschreven brief met ambtelijke stempels.

8 september 1940. Van: S. Hartog, Meerhuizenstraat 34, Amsterdam. Aan: Directeur van het Marktwezen, Amsterdam.

Origineel

Handgeschreven brief met ambtelijke stempels. 8 september 1940. S. Hartog, Meerhuizenstraat 34, Amsterdam. Directeur van het Marktwezen, Amsterdam. Nº 33/80/ M. 1940 10/9
A’Dam 8 Sept: 1940

Aan de Directeur van Het Marktwezen
Alhier

Mijnheer!!

Heden ontving ik een aanschrijving voor de Weekmarkt
Westerstraat, betreffende het geregeld bezetten van
mijn plaats (105).
Ik verzoek U echter om uitstel voor onbepaalde
tijd met doorbetaling van het Marktgeld wegens
tijdsomstandigheden (geen handel).
Ik hoop spoedig een gunstig antwoord van U te
mogen ontvangen.

Hoogachtend
S. Hartog
Meerhuizenstraat 34
A’Dam
Standplaats 105. In deze brief reageert S. Hartog op een officiële aanmaning ("aanschrijving") van de gemeente Amsterdam. De gemeente verplichtte markthandelaren om hun toegewezen standplaatsen (in dit geval stand 105 op de Westerstraatmarkt) ook daadwerkelijk te bezetten om hun vergunning te behouden.

De afzender verzoekt om een ontheffing van deze bezettingsplicht voor onbepaalde tijd. Opmerkelijk is dat hij aanbiedt om het "Marktgeld" (de huur voor de standplaats) wel te blijven doorbetalen. Hiermee probeert hij waarschijnlijk zijn recht op de standplaats voor de toekomst veilig te stellen, ondanks dat hij op dat moment niet kan werken. De reden die hij opgeeft is kort maar veelzeggend: "tijdsomstandigheden (geen handel)". De datum van de brief, september 1940, is cruciaal voor het begrip van de tekst. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De term "tijdsomstandigheden" was in die periode een veelgebruikt eufemisme voor de gevolgen van de bezetting.

Gezien de achternaam Hartog en het adres in de Meerhuizenstraat (gelegen in de Rivierenbuurt, een wijk met destijds een grote Joodse populatie), is het zeer aannemelijk dat de afzender Joods was. Al vroeg in de bezetting kregen Joodse markthandelaren te maken met beperkingen, pesterijen en een afnemende klandizie door de beginnende segregatie en anti-Joodse maatregelen. Veel Joodse handelaren konden hun beroep niet meer normaal uitoefenen. De vermelding "geen handel" duidt erop dat het voor Hartog onmogelijk of onveilig was geworden om op de Westerstraat (een volksmarkt in de Jordaan) te staan. Deze brief is een getuigenis van de manier waarop individuen probeerden te navigeren binnen de bureaucratie van een stad onder bezetting, in de hoop hun broodwinning formeel te behouden voor betere tijden.

Samenvatting

In deze brief reageert S. Hartog op een officiële aanmaning ("aanschrijving") van de gemeente Amsterdam. De gemeente verplichtte markthandelaren om hun toegewezen standplaatsen (in dit geval stand 105 op de Westerstraatmarkt) ook daadwerkelijk te bezetten om hun vergunning te behouden.

De afzender verzoekt om een ontheffing van deze bezettingsplicht voor onbepaalde tijd. Opmerkelijk is dat hij aanbiedt om het "Marktgeld" (de huur voor de standplaats) wel te blijven doorbetalen. Hiermee probeert hij waarschijnlijk zijn recht op de standplaats voor de toekomst veilig te stellen, ondanks dat hij op dat moment niet kan werken. De reden die hij opgeeft is kort maar veelzeggend: "tijdsomstandigheden (geen handel)".

Historische Context

De datum van de brief, september 1940, is cruciaal voor het begrip van de tekst. Nederland was op dat moment enkele maanden bezet door nazi-Duitsland. De term "tijdsomstandigheden" was in die periode een veelgebruikt eufemisme voor de gevolgen van de bezetting.

Gezien de achternaam Hartog en het adres in de Meerhuizenstraat (gelegen in de Rivierenbuurt, een wijk met destijds een grote Joodse populatie), is het zeer aannemelijk dat de afzender Joods was. Al vroeg in de bezetting kregen Joodse markthandelaren te maken met beperkingen, pesterijen en een afnemende klandizie door de beginnende segregatie en anti-Joodse maatregelen. Veel Joodse handelaren konden hun beroep niet meer normaal uitoefenen. De vermelding "geen handel" duidt erop dat het voor Hartog onmogelijk of onveilig was geworden om op de Westerstraat (een volksmarkt in de Jordaan) te staan. Deze brief is een getuigenis van de manier waarop individuen probeerden te navigeren binnen de bureaucratie van een stad onder bezetting, in de hoop hun broodwinning formeel te behouden voor betere tijden.

Gerelateerde Documenten 6