Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 19 december 1941. M. Pieterman. Waarschijnlijk de marktmeester of de relevante gemeentelijke instantie van Amsterdam (Marktwezen). No 25/160/1 M. 1941 22/12
Amsterdam 19 December 1941
Mijnheer:
Daar ik bericht ontving dat ik reeds langer als drie weken in gebreke ben gebleven marktgeld te betalen voor een standplaats op de markt van de Albert Cuypstraat wil ik u berichten dat ik van deze plaats nog geen gebruik heb gemaakt omrede ik steun had. Voor twee weken geleden is mijn steunuitkering stopgezet omrede ik heb geweigerd voor werk in Duitschland. Ik ben daar al twee keer naar toegeweest voor werk maar omdat de patroon niet nakwam hetgeen hij ons beloofde dat wij verdienen konden ga ik daar ook niet meer heen. Daar ik nu zoo goed als zonder middelen van bestaan ben voor mij en mijn gezin en ik momenteel ook geen handel kan bekomen omrede er zoo goed als geen handel is en ik ook daar de middelen niet voor bezit verzoek ik u beleefd voor zoolang ik de plaats niet kan bezetten ontheffing van betaling en daar ik de plaats toch wel graag zou willen aanhouden verzoek ik u beleefd deze voor mij te willen bewaren dat de gelegenheid zich voordoet dat ik deze kan bezetten. Hopende van u een gunstig bericht te mogen ontvangen teeken ik met de meeste Hoogachting
M. Pieterman
Jac v. Lennepstraat 239 II Deze brief schetst een indringend beeld van de sociaaleconomische realiteit in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. De schrijver, M. Pieterman, bevindt zich in een precaire situatie:
- Arbeidsweigering: Pieterman heeft geweigerd om in Duitsland te gaan werken. De reden die hij opgeeft is niet direct politiek, maar economisch-praktisch: de werkgever in Duitsland hield zich niet aan de loonafspraken. Dit was een veelvoorkomend probleem bij de vroege vormen van de Arbeitseinsatz.
- Sancties: Als gevolg van zijn weigering is zijn "steun" (werkloosheidsuitkering) stopgezet. Dit was een standaard pressiemiddel van de bezetter en de gelijkgeschakelde instanties om Nederlandse mannen te dwingen in de Duitse oorlogsindustrie te werken.
- Schaarsheid: De brief vermeldt dat er "zoo goed als geen handel is". Dit duidt op de toenemende tekorten aan goederen eind 1941, waardoor het voor kleine zelfstandigen onmogelijk werd om een inkomen te genereren op de markt.
- Hulpvraag: De schrijver probeert zijn standplaats op de Albert Cuypmarkt — een vitale bron van potentieel toekomstig inkomen — te behouden, ondanks dat hij de wekelijkse pacht niet kan betalen. Het is een formele, beleefde smeekbede van een wanhopige gezinshoofd. In december 1941 was de Duitse bezetting van Nederland ruim anderhalf jaar gaand. De economische druk nam snel toe. De Albert Cuypmarkt, destijds al een van de belangrijkste markten van Amsterdam, had zwaar te lijden onder de distributie-maatregelen en het verdwijnen van Joodse kooplieden (die vanaf september 1941 officieel geweerd werden van openbare markten, hoewel de brief hier niet direct naar verwijst).
De weigering om in Duitsland te werken (zoals hier beschreven) vond plaats in de periode vóór de algemene arbeidsinzet van 1943. In 1941 werd er nog geprobeerd mensen via financiële druk (het stopzetten van de steun) te dwingen. Wie niet werkte en geen uitkering kreeg, was aangewezen op de illegaliteit of, zoals Pieterman probeert, op kleine handel. De brief illustreert de directe link tussen het distributiebeleid, de dwangarbeid en de overlevingsstrategieën van de Amsterdamse bevolking in oorlogstijd.