Ambtelijke brief/advies (doorslag of concept).
Origineel
Ambtelijke brief/advies (doorslag of concept). 25 maart 1942. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst der Marktwezen of een gerelateerde Amsterdamse gemeentelijke dienst). [Handgeschreven aantekening rechtsboven:] Verzonden 25/3
VD/HG.
2C/6/2 M.
1
25 Maart 1942.
Adres Corn. Kuiper Wz.
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 3 dazer om advies ontvangen stuk No. 266 L.M. 1942 heb ik de eer U te berichten, dat ik U omtrent de op de Centrale Markt optredende grossierscombinatie van stapelproducten reeds rapporteerde met mijn brief van 7 Januari jl. No. 37/2/3 M. naar aanleiding van een soortgelijke klacht van den grossier J.J. Griffioen. Eenige leden der bedoelde Combinatie deelden mij desgevraagd mede, dat men niet bereid is om adressant als deelnemend grossier op te nemen, omdat hij zich eerst in Mei 1940 op de Centrale Markt heeft gevestigd. In de jaren 1937, 1938, en 1939 was hij derhalve op de Centrale Markt niet als groothandelaar bekend. In die jaren leurde hij met groenten buiten de Centrale Markt om rechtstreeks bij den kleinhandel in de stad en slechts nadat een en ander hem door verschillende maatregelen vrijwel onmogelijk was gemaakt, bleek hij bereid zich op de markt te vestigen. Kuiper zelf komt echter ook thans nog vrijwel nimmer op zijn verkoopplaats op de markt, doch laat zijn zaken afwikkelen door zijn schoonvader W.A. Oudshoorn. Volgens vorenbedoelde leden der Combinatie zou hij ook thans nog goederen, die waarschijnlijk buiten de veilingen om worden gekocht, rechtstreeks aan kleinhandelaren afleveren. In hoeverre deze mededeeling juist is, is tot nog toe niet kunnen worden vastgesteld; de omstandigheid dat Kuiper zelf niet op de Centrale Markt verschijnt maakt haar echter wel zeer aannemelijk.
Op grond van het bovenstaande geef ik U beleefd in overweging den adressant te doen berichten, dat er van Gemeentewege geen aanleiding bestaat om ten deze te zijnen gunste maatregelen te nemen.
Volledigheidshalve merk ik op, dat Kuiper, krachtens daarvoor vanwege de Akkerbouwcentrale vastgestelde algemeene regelen, ondanks daartegen van de zijde der Vebena geopperde bezwaren, een uitkeering ontvangt, naar rato van zijn vroegeren verkoop van aardappelen. Op het gebied van den aardappelhandel treedt hij echter niet meer op daar deze in de Vebena is gecentraliseerd.
De Directeur, In dit schrijven adviseert de directeur aan de wethouder om een verzoek van de handelaar Cornelis Kuiper Wz. af te wijzen. Kuiper wil toegelaten worden tot de officiële "grossierscombinatie van stapelproducten" op de Centrale Markt in Amsterdam.
De argumenten voor afwijzing zijn:
1. Gebrek aan anciënniteit: Kuiper vestigde zich pas in mei 1940 op de markt. Voor die tijd werd hij beschouwd als een 'leurder' die de officiële marktkanalen omzeilde door direct aan winkeliers te leveren.
2. Afwezigheid: Hij is zelden persoonlijk aanwezig op zijn verkoopplaats en laat het werk over aan zijn schoonvader.
3. Vermoeden van illegale handel: Er zijn sterke vermoedens dat hij buiten de veilingen om (de zogenaamde 'zwarte handel' of grijze markt) goederen koopt en direct doorlevert aan de kleinhandel.
Het document werpt ook licht op de bureaucratische verwevenheid van die tijd: Kuiper ontvangt wel een uitkering van de Akkerbouwcentrale op basis van zijn vroegere aardappelomzet, ondanks protesten van de Vebena (Vereniging ter Bevordering van de Nederlandsche Aardappelhandel). Dit document stamt uit maart 1942, midden in de Duitse bezetting van Nederland. De voedselvoorziening en handel waren in deze periode onderworpen aan strikte regulering en centralisatie via 'Centrales' (zoals de Akkerbouwcentrale).
De Centrale Markt in Amsterdam (het huidige Food Center aan de Jan van Galenstraat) was het zenuwcentrum van de voedseldistributie. De gevestigde orde van grossiers probeerde in deze schaarstetijd nieuwkomers of handelaren die zich voorheen niet aan de marktregels hielden, buiten de deur te houden. De term 'leurde' duidt erop dat Kuiper voorheen als ongecontroleerde tussenhandelaar werd gezien, wat in de strak gereguleerde oorlogseconomie als ongewenst en potentieel frauduleus werd beschouwd. De brief illustreert de macht van de ambtelijke adviesorganen in het bepalen wie wel of geen toegang kreeg tot de schaarse legale handelskanalen. J.J. Griffioen W.A. Oudshoorn Marktwezen