Archiefdocument
Origineel
23 oktober 1942 (met een latere aantekening van 4 november 1942). J.J.M. Bekker (waarschijnlijk een marktmeester of ambtenaar van het marktwezen). De Heer Inspecteur van het Marktwezen. 23/10/42.
Den Heer Inspecteur v/h Marktwezen.
Naar aanleiding van bijgaand verzoek van M. J. v/d Hoek, sinds jaren vaste plaatshouder op de Bloemenmarkt bericht ik U het volgende: Naast de plaats van v/d Hoek is gelegen de vaste plaats van W. v. Zoomeren en daarnaast de vaste plaats van de Jong.
Sinds jaren komt de Jong niet meer. Hij is mij zelfs geheel onbekend, mogelijk is hij al jaren dood. Toch prijkt hij nog steeds op de lijst der „vrijgestelden”. v/d Hoek weet zelfs al niet beter als dat de plaats vroeger aan een zekere de Jong heeft toebehoord en typeert dit al weer het geval van vrijgestelden.
Momenteel wordt de plaats van de Jong gedeeltelijk bezet door v. Zoomeren en een gedeelte der plaats van v Zoomeren door v/d Hoek. Nu de bloemenmarkt dagmarkt is geworden, is uit v/d Hoek de wensch ontstaan om dat gedeelte, wat hij al geruimen tijd gebruikt, als vaste plaats toegewezen te krijgen.
Volgens mij bestaat hiertegen geen bezwaar, doch dient de Jong z’n „schijnplaats” te worden ingetrokken.
[Onderaan toegevoegd in een ander handschrift:]
Tegen inwilliging van het verzoek van v/d Hoek bestaat bij mij geen bezwaar. Plaats de Jong intrekken.
J.J. M. Bekker
4-11-'42 Het document is een ambtelijk advies betreffende de herindeling van standplaatsen op de Bloemenmarkt (vermoedelijk in Amsterdam, gezien de terminologie). De kern van de zaak is een verzoek van marktkoopman M.J. van der Hoek om een gedeelte van de aangrenzende standplaats officieel toegewezen te krijgen.
De schrijver stelt vast dat de huidige administratieve situatie niet overeenkomt met de praktijk. De officiële plaatshouder, "de Jong", is al jaren afwezig, maar staat nog steeds als "vrijgestelde" in de boeken. Hierdoor is er sprake van een "schijnplaats". Door de verandering van de Bloemenmarkt naar een dagmarkt wil de aanvrager de informele situatie (waarbij hij de grond al gebruikt) laten formaliseren. De ambtenaar adviseert positief, mits de registratie van de Jong wordt beëindigd. Dit document is geschreven in oktober en november 1942, tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De historische context geeft de tekst een wrange bijsmaak, met name door de term "vrijgestelden" en de afwezigheid van "de Jong".
Vanaf 1941 mochten Joodse marktkooplieden niet meer op de reguliere markten staan. Hun plaatsen werden soms tijdelijk als "vrijgesteld" geregistreerd. De opmerking dat de Jong "geheel onbekend" is en "mogelijk al jaren dood", in combinatie met het intrekken van zijn "schijnplaats" om deze aan een andere koopman te geven, past in het patroon van de bureaucratische afwikkeling van het verdwijnen van Joodse burgers uit het openbare leven en de economie tijdens de Sjoa. Hoewel de tekst zakelijk-administratief van aard is, reflecteert het de kille realiteit van hoe bezit en rechten van afwezigen in oorlogstijd werden herverdeeld.