Archief 745
Inventaris 745-374
Pagina 288
Dossier 92
Jaar 1942
Stadsarchief

Ambtsverslag / Verzoekschrift

Ongedateerd (vermoedelijk begin 20e eeuw, gezien spelling en valuta) Van: De chef-marktopzichter (handtekening mogelijk G.J. Machielse of vergelijkbaar)

Origineel

Ambtsverslag / Verzoekschrift Ongedateerd (vermoedelijk begin 20e eeuw, gezien spelling en valuta) De chef-marktopzichter (handtekening mogelijk G.J. Machielse of vergelijkbaar) Thwarthoert, mede in mijn belang, om aan de tot een me-
nigste aangegroeide volksmassa den gerookten aal te ver-
koopen, aan welk bevel hij niet wenschte te voldoen,
maar hij, volgens zijn zeggen, den aal had bestemd voor
zijn klanten in de vischwijk, hetgeen, gezien de prijzen die
bij den aanhuisverkoop gemaakt worden met dit artikel,
mij begrijpelijk voorkomt.
Opnieuw gebood ik Thwarthoert den aal ter plaatse te ver-
koopen, doch alvorens daartoe eventueel te besluiten, wenschte
hij zich in verbinding te stellen (telefonisch) met „Mr. Feith.”
Na lang heen en weer gepraat, waarin U intusschen telefonisch
betrokken werd, koos Thwarthoert uiteindelijk de veiligste weg en
stemde toe den aal te verkoopen, welke ~~koop~~ ^verkoop^ mede door de
onmisbare hulp van twee agenten van politie, vlot van stapel liep.
Hoewel de marktorde met groote inspanning was bewaard
gebleven, heeft dit enkele geval mij, behalve ongeveer anderhalf uur
tijds, een bankbiljet van tien gulden gekost, hetgeen ik eenige
oogenblikken vóór genoemde episode had geïnd.
Direct nadat ik mij uit de menschenkluwen had losgewrongen
werd het bankbiljet, dat zich in de buitenzak van mijn jas
bevond, door mij gemist, zoodat ik aanneem, dat het mij
is ontstolen.
Beleefd verzoek ik Uwe medewerking, opdat het zoekge-
raakte bankbiljet à f 10.- mij door den dienst van
het Marktwezen worde vergoed.

De chef-marktopzichter,
(w.g.) G.J. Machielse [?] In deze brief rapporteert de chef-marktopzichter over een escalerende situatie op de markt. Een handelaar, genaamd Thwarthoert, weigerde zijn gerookte paling aan de aanwezige menigte te verkopen. Hij gaf de voorkeur aan huis-aan-huisverkoop aan zijn vaste klanten in de "vischwijk", vermoedelijk omdat hij daar hogere prijzen kon bedingen.

De opzichter vreesde voor de openbare orde door de groeiende "volksmassa" en dwong de verkoop ter plaatse af. Na tussenkomst van een hogere ambtenaar (Mr. Feith) en de assistentie van twee politieagenten werd de verkoop uiteindelijk gerealiseerd. De kern van de brief is echter een declaratie: tijdens het gedrang in de "menschenkluwen" is er een bankbiljet van tien gulden uit de jaszak van de opzichter gestolen. Hij verzoekt zijn superieur om dit bedrag uit de kas van het Marktwezen te vergoeden, aangezien het verlies direct verband houdt met de uitoefening van zijn functie. Dit document biedt een inkijkje in de dagelijkse praktijk van markttoezicht in de vroege 20e eeuw in Nederland. Het illustreert de spanning tussen de commerciële belangen van handelaren en de publieke taak van de marktopzichter om de rust te bewaren.

De genoemde "Mr. Feith" verwijst zeer waarschijnlijk naar een lid van de bekende juristenfamilie Feith, die in die periode diverse hoge ambtelijke en rechterlijke functies bekleedden (bijv. in Den Haag of Amsterdam). Het bedrag van tien gulden was in die tijd aanzienlijk; ter vergelijking: het weekloon van een ongeschoolde arbeider lag destijds vaak tussen de 10 en 15 gulden. Dit verklaart de formele noodzaak voor een schriftelijk verslag om deze "onkosten" vergoed te krijgen.

Samenvatting

In deze brief rapporteert de chef-marktopzichter over een escalerende situatie op de markt. Een handelaar, genaamd Thwarthoert, weigerde zijn gerookte paling aan de aanwezige menigte te verkopen. Hij gaf de voorkeur aan huis-aan-huisverkoop aan zijn vaste klanten in de "vischwijk", vermoedelijk omdat hij daar hogere prijzen kon bedingen.

De opzichter vreesde voor de openbare orde door de groeiende "volksmassa" en dwong de verkoop ter plaatse af. Na tussenkomst van een hogere ambtenaar (Mr. Feith) en de assistentie van twee politieagenten werd de verkoop uiteindelijk gerealiseerd. De kern van de brief is echter een declaratie: tijdens het gedrang in de "menschenkluwen" is er een bankbiljet van tien gulden uit de jaszak van de opzichter gestolen. Hij verzoekt zijn superieur om dit bedrag uit de kas van het Marktwezen te vergoeden, aangezien het verlies direct verband houdt met de uitoefening van zijn functie.

Historische Context

Dit document biedt een inkijkje in de dagelijkse praktijk van markttoezicht in de vroege 20e eeuw in Nederland. Het illustreert de spanning tussen de commerciële belangen van handelaren en de publieke taak van de marktopzichter om de rust te bewaren.

De genoemde "Mr. Feith" verwijst zeer waarschijnlijk naar een lid van de bekende juristenfamilie Feith, die in die periode diverse hoge ambtelijke en rechterlijke functies bekleedden (bijv. in Den Haag of Amsterdam). Het bedrag van tien gulden was in die tijd aanzienlijk; ter vergelijking: het weekloon van een ongeschoolde arbeider lag destijds vaak tussen de 10 en 15 gulden. Dit verklaart de formele noodzaak voor een schriftelijk verslag om deze "onkosten" vergoed te krijgen.

Gerelateerde Documenten 6