Ambtsbericht / Rapport.
Origineel
Ambtsbericht / Rapport. 22 mei 1942. Nº 25/20/1
Inschrijving M 1942 6/6
Den Heer Inspecteur
v/h Marktwezen
Alhier
Rapport.
Op Vrijdag 22 Mei j.l., des morgens om ± 11 uur, bezig zijnde met het regelen der marktplaatsen en het innen der marktgelden op de algemeene dagmarkt in de Albert Cuypstraat, werd mijn aandacht getrokken door een volksverzameling.
Het bleek mij, dat op hoogstens 15 meter van genoemde markt in de 1e v/d Helststraat, in de onmiddellijke omgeving van het op genoemde markt gelegen vischgedeelte, de vischkramer M. Kwarthoed een standplaats innam met een handkar, waarin zich garnalen en gerookte aal bevond.
Naar mijn schatting had zich een vijftigtal menschen, hoofdzakelijk vrouwen, zich om Kwarthoed's wagen verzameld, terwijl Kwarthoed bezig was de garnalen te verkoopen, doch pertinent weigerde, volgens de omstanders, gerookte aal te verkoopen.
In het belang der marktorde gelastte ik Kwarthoed een door mij aan te wijzen plaats op de markt in te nemen, aan welk bevel hij onmiddellijk voldeed.
Waar echter mij de tijd niet ver meer afscheen, dat wegens zijn afwijzende houding de huisvrouwen zich van den gerookten aal zouden meester maken, gebood ik... [tekst breekt af] In dit rapport doet een marktbeambte verslag van een incident op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam tijdens de Duitse bezetting. Een visboer, M. Kwarthoed, veroorzaakte onrust door wel garnalen te verkopen, maar te weigeren zijn voorraad gerookte aal te verkopen. Dit leidde tot een oploop van ongeveer vijftig vrouwen ("huisvrouwen"). De rapporteur vreesde voor een escalatie waarbij de menigte de handel zelf in handen zou nemen (plundering), wat hij probeerde te voorkomen door de koopman te dwingen een officiële standplaats in te nemen. Het document dateert uit mei 1942, een periode van toenemende voedselschaarste en strikte rantsoenering in Nederland onder de Duitse bezetting. Dergelijke "volksverzamelingen" bij marktkarren waren in die tijd symptomatisch voor de spanningen rondom de voedselvoorziening. Handelaren die voorraden achterhielden (mogelijk voor de zwarte markt of eigen gebruik), konden rekenen op grote vijandigheid van het publiek. De marktmeester greep hier in vanuit zijn taak om de "marktorde" te handhaven en sociale onrust in de kiem te smoren.