Archiefdocument
Origineel
November 1942 (afgeleid uit kenmerk) F. E. W. Jansen № 46 A / 273 / 1 M. 1942 5/11
Weledele Heer Directeur
Daar ik nu eerst wist dat ik mij tot u moest wenden met een verzoek om mijn toegewezen kwantum aal te mogen laten rooken en omdat ik steeds mijn aal gerookt heb verkocht verzoek ik u nu beleeft om daarmee te mogen doorgaan, als u er geen bezwaar tegen heeft, daar ik er heelemaal op ingesteld ben.
Ik laat ze steeds roken bij A. de Kort in de Goudsbloemstraat en verkoop ze ook steeds gerookt op den Lindengracht en dat doe ik nu al jaren. Ik hoop dat u mijn verzoek a.v.b. inwilligt, want ik word er anders zeer door gedupeerd.
En nu wilde ik u meteen vragen of u al ter kennis is gebracht dat men mij steeds handel tekort geeft. Ik heb steeds een enorm kwantum aal, snoekbaars, garnalen, verkocht en nu krijg ik slechts 1 enkele toewijzing terwijl andere vishandelaars die geen tiende deel van wat ik verkocht heb verhandeld hebben, een dubbele en driedubbele toewijzing hebben. Ik heb ondanks mijn herhaalt verzoek bij den heer Verhaar die mij reeds drie weken geleden belooft heeft mijn zaak te onderzoeken, niet dat ik deze heer iets verwijt, daar is hij te correct voor, nog steeds niet mijn gerechtigd kwantum gekregen.
Ik ben er van overtuigd dat u dit onrecht wat men mij aandoet niet weet, want dit is de zuiveren waarheid dat men mij in mijn broodwinning besteelt.
U Hoogachtende teken ik F. E. W. Jansen
46A Het document is een zakelijke smeekbede van een Amsterdamse vishandelaar tijdens de Duitse bezetting. De schrijver, F.E.W. Jansen, kaart twee problemen aan:
1. Verwerkingsvergunning: Hij vraagt toestemming om zijn toegewezen quotum aal te laten roken bij een externe partij (A. de Kort), zoals hij dat al jaren doet.
2. Onrechtmatige distributie: Hij klaagt over de scheve verhoudingen in de toewijzing van vis (aal, snoekbaars en garnalen). Hij stelt dat hij, ondanks zijn historisch grote omzet, nu veel minder krijgt dan concurrenten die voorheen veel kleiner waren.
De toon is formeel en eerbiedig ("Weledele Heer", "beleeft"), maar de frustratie schemert door in termen als "onrecht" en "in mijn broodwinning besteelt". Jansen probeert de Directeur aan zijn kant te krijgen door te suggereren dat deze waarschijnlijk niet op de hoogte is van de misstanden op de werkvloer (bij een zekere heer Verhaar). Het document dateert uit 1942, een periode waarin de voedselvoorziening en distributie in Nederland onder strikte controle stonden van de bezetter en de Nederlandse crisisorganen. Alles werkte met vergunningen en kwanta (quota).
De genoemde locaties, de Goudsbloemstraat en de Lindengracht, plaatsen de handel van Jansen midden in de Jordaan in Amsterdam. De markt op de Lindengracht was (en is) een belangrijk handelspunt.
De grote rode letter 'J' bovenaan het document is opvallend. Hoewel in deze periode een 'J' vaak werd gebruikt om Joodse burgers of ondernemers te registreren, is Jansen een zeer algemene Nederlandse achternaam en werd de letter 'J' in archieven ook simpelweg gebruikt als alfabetische indexering voor de naam Jansen. Gezien de context van de "toewijzingen" en het feit dat hij spreekt over "onrecht" en het "bestelen van zijn broodwinning", kan dit duiden op de systematische achterstelling van (mogelijk Joodse) handelaren, maar het kan ook een reguliere klacht over bureaucratische willekeur in oorlogstijd zijn. A. de Kort F.E.W. Jansen W. Jansen Rijksbureau