Handgeschreven rapport/brief betreffende een intern onderzoek.
Origineel
Handgeschreven rapport/brief betreffende een intern onderzoek. Vermoedelijk februari of maart 1943 (verwijst naar "2 Febr. jl." en "October 1942"). [Bovenaan de pagina, deels doorgestreept]
Verkoop van visch aan marktpersoneel en commissie.
[Hoofdtekst]
Naar aanleiding van de rapporten der M.S.B. ter zake, rapporteer ik het volgende.
Voorop wordt gesteld, dat bij onderzoek is gebleken, dat na afloop van de verdeling op 2 Febr. jl. 126 pond visch is achtergehouden, teneinde te worden verdeeld onder het personeel der Vischmarkt, de Com. leden en hun personeel en het personeel van de loods [Davyhorst?] goederen der N.S.
In totaal hebben ongeveer 35 menschen van deze visch gehad. Geconstateerd wordt verder, dat bij het door mij ingestelde onderzoek ~~niet~~ is gebleken, dat de ~~ondergetekende~~ Marktmeester en de heeren De Heer en Van Duinhoven van deze aangelegenheid op de hoogte waren of van deze visch hebben ~~een deel hebben ontvangen~~ meegegeten.
~~Verder stel ik vast, dat ik dezein [?] van 20 hen [?] "wie appelen vaart, kan ik persoonlijk aanvaarden, mits een en ander georganiseerd gebeurt."~~
~~Het motief~~ [doorgestreept]
~~het onderzoek~~ [doorgestreept]
Persoonlijk sta ik echter op het standpunt „Wie appelen vaart, die appelen eet” en dat een goede regeling met volledige controle, ter vermijding van excessen, diefstallen in het personeel, ten zeerste is aan te bevelen. Hieronder zal ik een plan uiteenzetten, waarbij naar mijn mening alle bezwaren worden opgevangen.
Omtrent het door mij ingestelde onderzoek kan ik U het volgende berichten.
1. In de eerste plaats heb ik de Vischcommissie gehoord, die mij bij monde van Rammeloo en Goutjes het volgende verklaarde.
„Tot aan het begin van het mosselseizoen (October 1942) waren wij als kleinhandelaar in de verdeling opgenomen. Aangezien ons de verplichting was opgelegd, dat ten minste een lid der Com. den gehelen dag op de V.M. aanwezig was...”
[Tekst in de linkermarge, verticaal geschreven]
Gelukt buiten mijn medeweten heeft plaats gevonden dat ik haar zuster waarschijnlijk afhaalde. Het document is een verslag van een opsporingsambtenaar of inspecteur naar aanleiding van diefstal of illegale verdeling van vis. Op 2 februari (waarschijnlijk 1943) is er 126 pond vis achtergehouden na de officiële verdeling. Deze vis werd verdeeld onder het personeel van de vismarkt en de NS-loods.
De schrijver van het rapport concludeert dat de hogere beambten (de Marktmeester, De Heer en Van Duinhoven) hier niet van wisten en niet hebben meegeprofiteerd. Opvallend is de pragmatische houding van de rapporteur: hoewel het een overtreding is, gebruikt hij het spreekwoord "Wie appelen vaart, die appelen eet" om aan te geven dat het personeel eigenlijk recht heeft op een deel van de waar, mits dit officieel geregeld en gecontroleerd wordt om diefstal ("excessen") te voorkomen.
Het document bevat veel doorstalingen, wat wijst op een conceptverslag of een schrijver die worstelt met de juiste formulering van een gevoelige kwestie. Dit document stamt uit de periode van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In deze tijd was voedsel schaars en strikt gerantsoeneerd. Het "achterhouden" van 126 pond vis was een ernstig economisch delict, aangezien alle goederen via officiële distributiekanalen moesten lopen.
De corruptie of het "eigen gebruik" onder marktpersoneel was een wijdverbreid verschijnsel vanwege de voedselschaarste. De genoemde instanties zoals de M.S.B. hielden toezicht op de eerlijke verdeling. De verwijzing naar "October 1942" als de start van het mosselseizoen en de veranderde rol van de kleinhandelaren duidt op de steeds strenger wordende regelgeving van de bezetter en de distributiestamkaarten. De informele toon over het "mee-eten" van de vis laat zien hoe de grens tussen legale distributie en de zwarte markt in de praktijk vervaagde.