Ambtelijke correspondentie (doorslag van een uitgaande brief).
Origineel
Ambtelijke correspondentie (doorslag van een uitgaande brief). 3 juni 1939. De Directeur (vermoedelijk van een gemeentelijke dienst zoals de Marktwezen of Stadsreiniging). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen, Alhier. [Stempel/Kenmerk linksboven:]
VP/HG.
72/44/2 M.
1
[Handgeschreven tekst midden boven:]
Verzonden 6/6
[Handgeschreven tekst rechtsboven:]
m. de Leeuw [?]
[Datum rechtsboven:]
3 Juni 1939.
[Onderwerp links:]
Klacht van Vereeniging
"Winkeliersbelangen Zuid"
inzake standplaatsen op
hoeken der straten.
[Adressering rechts:]
den Heer Wethouder
voor de Levensmiddelen,
A l h i e r .
[Inhoud:]
Onder terugzending van het met Uw kantbrief d.d. 23 Mei jl. om advies ontvangen stuk no.408 L.M.1939 heb ik de eer U te berichten, dat de in dat stuk vervatte klacht in het algemeen als juist moet worden erkend. Het contrôleerende personeel van mijn dienst heeft opdracht om streng tegen overtreders op te treden, die in strijd met de hun verleende standplaatsvergunning te dicht bij hoeken van straten gaan staan. In de standplaatsvergunningen is de toegewezen plaats steeds duidelijk omschreven; het aanbrengen van een merkteeken op de straat, teneinde de bedoelde plaats aan te duiden, lijkt mij daarom nutteloos.
Uiteraard kan het kleine aantal contrôleurs, dat dezerzijds voor den straatdienst beschikbaar kan worden gesteld, ten deze niet op afdoende wijze tegen overtredingen waken. Ik geef U mitsdien beleefd in overweging terzake eveneens het advies in te winnen van den Hoofdcommissaris van Politie.
De Directeur, Dit document is een ambtelijk advies gericht aan een wethouder. De kern van de zaak is een belangenconflict tussen gevestigde winkeliers in een stadsdeel (waarschijnlijk Amsterdam-Zuid, gezien de verenigingsnaam) en ambulante straathandelaren. De winkeliers klagen dat marktkramen of standplaatsen te dicht op de hoeken staan, wat waarschijnlijk hun zichtbaarheid belemmert of de doorgang voor klanten hindert.
De directeur van de betreffende dienst geeft de winkeliers gelijk ("klacht in het algemeen als juist moet worden erkend"), maar wijst tegelijkertijd op een praktisch probleem: er is te weinig personeel voor de handhaving. Hij wijst het voorstel om markeringen op de straat aan te brengen af als overbodig, aangezien de locaties al in de vergunningen staan. Zijn oplossing is om de verantwoordelijkheid deels bij de politie neer te leggen. De brief dateert van juni 1939, vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. In deze periode was er een sterke reguleringsdrang vanuit de overheid op de ambulante handel. De "Wethouder voor de Levensmiddelen" was in grote steden verantwoordelijk voor de distributie en verkoop van voedsel, inclusief de markten en standplaatsen.
De taal is typisch voor de vooroorlogse Nederlandse administratie: formeel, met gebruik van de naamval "den" en spellingen zoals "contrôleerende" en "mitsdien". Het document illustreert de eeuwige spanning tussen de vaste middenstand en de straathandel, evenals de beperkte middelen van gemeentelijke inspectiediensten.