Archief 745
Inventaris 745-298
Pagina 94
Dossier 39
Jaar 1939
Stadsarchief

Handgeschreven verzoekschrift/brief.

30 mei 1939 (A.dam. 30. 5. 39.). Van: B. Winnik.

Origineel

Handgeschreven verzoekschrift/brief. 30 mei 1939 (A.dam. 30. 5. 39.). B. Winnik. [Stempel:] Nº 72/55/1 M. 1939 1/6
[Aantekening in potlood:] zie Hr. Muller

A.dam. 30. 5. 39.

M. H.

Ondergetekende Lompenverker. Bordnummer 485. Nº ventvergunning serie 27 Nº 177. verzoekt voorloopig 14 dagen uitstel van betaling ventvergunningsgeld. om reden dat ik het nog niet kan betalen en hoogstwaarschijnlijk weder in de steun gaat. daar ik voor steun heb aangevraagd. Ik verzocht u beleefd de controleurs hiervan in kennis te willen stellen indien u mijn verzoek inwilligt.

Hoopend dat u aan mijn verzoek zult voldoen teeken ik bij voorbaat mijn dank uw. Dw. Dn.

B. Winnik
Chr de Wetstraat 34 II
Amsterdam (O) Het document is een zakelijk, doch dringend verzoek van een kleine zelfstandige (een lompenwerker, hier gespeld als 'verker') aan de gemeentelijke instanties van Amsterdam. De schrijver, B. Winnik, vraagt om een uitstel van veertien dagen voor het betalen van zijn leges voor de ventvergunning.

De kern van de brief is de penibele financiële situatie van de schrijver. Hij geeft expliciet aan dat hij het verschuldigde bedrag op dit moment niet kan voldoen en dat hij vreest weer afhankelijk te worden van 'de steun' (de toenmalige werkloosheidsuitkering/bijstand). Hij heeft de aanvraag hiervoor reeds ingediend.

Opvallend is de vermelding van het "Bordnummer 485". Dit verwijst naar het verplichte nummerbord op de handkar of bakfiets van de venter, wat essentieel was voor de identificatie door controleurs. De schrijver verzoekt dan ook specifiek om de controleurs in te lichten, zodat hij tijdens zijn werk niet beboet wordt voor het (tijdelijk) ontbreken van een geldig betalingsbewijs. Deze brief dateert van mei 1939, slechts enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Nederland bevond zich in de nasleep van de crisisjaren. De 'steun' waar Winnik over spreekt, was in die tijd karig en ging gepaard met strenge controles en een sociaal stigma.

Het adres, de Christiaan de Wetstraat 34, bevindt zich in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost. Dit was in 1939 een buurt waar veel Joodse Amsterdammers woonden, vaak werkzaam in de kleine handel of als zelfstandige ambachtslieden. De naam "Winnik" duidt mogelijk op een Oost-Europese Joodse achtergrond, wat in deze wijk veel voorkwam. De brief illustreert de dagelijkse overlevingsstrijd van de Amsterdamse 'kleine man' die probeert met eerlijke handel het hoofd boven water te houden, maar telkens wordt ingehaald door armoede en bureaucratie.

Samenvatting

Het document is een zakelijk, doch dringend verzoek van een kleine zelfstandige (een lompenwerker, hier gespeld als 'verker') aan de gemeentelijke instanties van Amsterdam. De schrijver, B. Winnik, vraagt om een uitstel van veertien dagen voor het betalen van zijn leges voor de ventvergunning.

De kern van de brief is de penibele financiële situatie van de schrijver. Hij geeft expliciet aan dat hij het verschuldigde bedrag op dit moment niet kan voldoen en dat hij vreest weer afhankelijk te worden van 'de steun' (de toenmalige werkloosheidsuitkering/bijstand). Hij heeft de aanvraag hiervoor reeds ingediend.

Opvallend is de vermelding van het "Bordnummer 485". Dit verwijst naar het verplichte nummerbord op de handkar of bakfiets van de venter, wat essentieel was voor de identificatie door controleurs. De schrijver verzoekt dan ook specifiek om de controleurs in te lichten, zodat hij tijdens zijn werk niet beboet wordt voor het (tijdelijk) ontbreken van een geldig betalingsbewijs.

Historische Context

Deze brief dateert van mei 1939, slechts enkele maanden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Nederland bevond zich in de nasleep van de crisisjaren. De 'steun' waar Winnik over spreekt, was in die tijd karig en ging gepaard met strenge controles en een sociaal stigma.

Het adres, de Christiaan de Wetstraat 34, bevindt zich in de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost. Dit was in 1939 een buurt waar veel Joodse Amsterdammers woonden, vaak werkzaam in de kleine handel of als zelfstandige ambachtslieden. De naam "Winnik" duidt mogelijk op een Oost-Europese Joodse achtergrond, wat in deze wijk veel voorkwam. De brief illustreert de dagelijkse overlevingsstrijd van de Amsterdamse 'kleine man' die probeert met eerlijke handel het hoofd boven water te houden, maar telkens wordt ingehaald door armoede en bureaucratie.

Kooplieden in dit dossier 43

Bur.v.Maatsch.Steun 654
Bur.v.Maatsch.Steun 708
C.H.J. Langkemper Ventgeld ƒ 0,70 over November 1937.
E. Korthoef Geen schuld.
A. Leeseman Ventgeld ƒ 0,70 over November 1937.
G.G.D. In " 2.003,90
G.G.D. In " 3.707,50
G.G.D. In " 827,50
Gebouwen, op of tegen " 1.250,--
Gebouwen, op of tegen
Gebouwen, op of tegen
Gebouwen, op of tegen
Gebouwen, op of tegen
H.J. Vonk Ventgeld ƒ 1,40 over October en November 1937.
J.G. Kuyten Ventgeld ƒ 0,70 over November 1937.
Alle 43 kooplieden →

Gerelateerde Documenten 1