Archiefdocument
Origineel
20 juli 1934. M. 1934
1 20 Juli 4.
den Heer Weth.v.d.Levensmiddelen
Alhier.
pleegt te doen; hierdoor derven de venters dan een belang-
rijk debiet, dat zij alleen kunnen terugvinden, door zelf
ook marktplaatsen te bezetten. Tot nu toe lieten zij dit
veelal na, omdat zij clandestien op de markten gingen
venten. Dit nu, zal eveneens bij de uitvoering der Vent-
verordening krachtig moeten worden tegengegaan, waardoor
vanzelf de behoefte aan officieele marktplaatsen belangrijk
zal toenemen.
De bestaande markten bieden, wegens plaatsgebrek,
hiertoe geen gelegenheid. Reeds thans, nu zoowel in de
Kinkerstraat, als in de Van der Pekstraat, de Jan Evertsen-
straat en elders, clandestiene "ventersmarkten bestaan,
moeten op Zaterdag soms kooplieden op de markt Alb. Cuyp-
straat worden geweigerd.
Indien hieraan door marktuitbreiding wordt tegemoet
gekomen, zal wellicht op den duur eenige personeelsuit-
breiding bij mijn dienst moeten volgen, hoewel het in mijne
bedoeling ligt voor het toezicht op deze nieuwe markten
voornamelijk het personeel, dat voor de uitvoering der
Ventverordening in dienst wordt genomen, aan te wijzen.
Hoezeer de marktuitbreiding noodzakelijk is, zoo zou ik
aarzelen desbetreffende voorstellen te doen, wanneer de
marktgelden op het thans geldende lage niveau zouden
blijven gehandhaafd.
Nu U mij evenwel hebt meegedeeld, dat binnenkort een
nieuwe voordracht tot marktgeldverhooging kan worden
tegemoetgezien, waarin andermaal de voorstellen vervat in
mijn rapport d.d. 15 Augustus 1933 (no. 960 M.) zullen
worden verwerkt, acht ik het oogenblik gekomen, om tot de
noodzakelijke uitbreiding der markten te besluiten.
Bij de onderhandelingen, die ik inzake deze uit-
breidingen voerde met de verschillende organisaties van
venters en marktkooplieden, nl. met den Algemeenen Venters-
bond van Amsterdam, Marktbond "Mercurius", Ventersvereeni-
ging "Ons Belang" en den Nederlandschen Standwerkersbond
"D.S.V.", hebben alle zich met de na te melden De tekst beschrijft een crisissituatie op de Amsterdamse markten in 1934. De kernpunten zijn:
1. Clandestiene handel: Door strikte handhaving van de 'Ventverordening' worden straatventers gedwongen om naar officiële markten uit te wijken. Omdat deze vol zijn, ontstaan er 'clandestiene ventersmarkten' in straten als de Kinkerstraat en Van der Pekstraat.
2. Capaciteitsproblemen: De druk op bekende markten zoals de Albert Cuypstraat is zo groot dat kooplieden op zaterdagen geweigerd moeten worden.
3. Financiële voorwaarde: De opsteller (waarschijnlijk een directeur van de marktdienst) stelt dat uitbreiding van de markten alleen haalbaar is als de marktgelden (staangeld) verhoogd worden. Nu de wethouder heeft toegezegd dit te gaan doen, geeft de schrijver groen licht voor uitbreidingsplannen.
4. Overleg: Er is overleg gevoerd met diverse belangenorganisaties, wat duidt op een gepolitiseerd en georganiseerd werkveld. Dit document stamt uit de tijd van de Grote Depressie. In de jaren '30 was de werkloosheid in Amsterdam hoog, waardoor veel mensen probeerden te overleven door als 'venter' (straatverkoper) goederen aan de man te brengen. De gemeente probeerde dit te reguleren via de Ventverordening om overlast te beperken en belastinginkomsten te garanderen. De verschuiving van informele straathandel naar gereguleerde markten was een onderdeel van de modernisering van het stedelijk beheer. De genoemde locaties (Kinkerbuurt, de Pijp, Amsterdam-Noord en West) waren typische volksbuurten waar deze problematiek het sterkst speelde.