Archiefdocument
Origineel
20 juli 1934 2 / 20 Juli 1934
den Heer Weth.v.d.Levensmiddelen
Alhier.
voorstellen volkomen vereenigd, met uitzondering van
den Kooplieden- en Marktkramersbond "Mercurius". Hoewel
ook met dezen bond aanvankelijk omtrent alle punten,
behalve de Alb. Cuypstraat, overeenstemming was bereikt,
heeft het Bestuur dezer organisatie gemeend mij later,
blijkens den hierbij in afschrift overgelegden brief d.d.
15 Juni '34, te moeten berichten, dat het "voorloopig
(is) tegen elke uitbreiding van de bestaande en stichting
van nieuwe markten"; zulks omdat deze organisatie het
met den door mij gedachten omvang der afzonderlijke uit-
breidingen niet eens is.
Zij vreest door marktuitbreiding nieuwe concurren-
tie voor de bestaande marktkooplieden en voor de winkeliers.
Intusschen verliest "Mercurius" daarbij uit het oog, dat de
nieuwe markten door venters zullen worden bezet, d.w.z.
door bestaande straatkooplieden, die ook thans reeds
zoowel den marktkooplieden als den winkeliers concurrentie
aandoen.
Bij de onderstaande voorstellen ben ik uitgegaan
van de praemisse, dat het marktgeld wordt verhoogd en
dat vóórdien behoudens ééne uitzondering niet tot uitbreiding
wordt besloten. Ik kan daarom mijne voorstellen baseeren
op de nieuwe Verordening op den Dienst van het Marktwezen,
die naar ik verwacht, op 15 October a.s. in werking zal
treden.
Eene uitzondering moet alleen worden gemaakt voor
de markt aan de Ten Katestraat. Het gedeelte van deze
markt tusschen de Hasebroekstraat en de Bellamystraat
wordt thans ingenomen zoowel door groentekooplieden als
door vischkooplieden, hetgeen, nog ongeacht het ook aldaar
bestaande plaatsgebrek en de te verwachten trek vanuit de
Kinkerstraat, een ongewenschte toestand is. Veel beter
kunnen de handelaren in visch apart worden opgesteld; In dit document uit 1934 rapporteert een ambtenaar aan de Wethouder van Levensmiddelen over de weerstand tegen de uitbreiding van Amsterdamse markten. De belangrijkste tegenstander is de bond "Mercurius", die vreest voor extra concurrentie voor bestaande winkeliers en marktkramers.
De schrijver weerlegt dit argument door te stellen dat de uitbreidingen juist bedoeld zijn voor de reeds aanwezige 'venters' (straatverkopers), die nu ook al concurreren, maar dan ongereguleerd. Verder wordt er verwezen naar een nieuwe "Verordening op den Dienst van het Marktwezen" die in oktober 1934 van kracht zou worden. Een specifiek knelpunt dat wordt genoemd is de Ten Katestraat, waar groente- en visboeren nu door elkaar staan, wat tot ongewenste situaties leidt door ruimtegebrek en de toestroom vanuit de Kinkerstraat. Dit document stamt uit de crisisjaren '30. In deze periode was de straathandel in Amsterdam een bron van sociale spanning. Enerzijds boden markten en venten een uitweg voor de grote werkloosheid, anderzijds probeerde de gemeente de handel strakker te reguleren om de gevestigde middenstand te beschermen en de openbare orde (verkeersdoorstroming en hygiëne) te handhaven. De genoemde locaties — de Albert Cuypstraat en de Ten Katestraat — waren (en zijn) kernpunten van de Amsterdamse markthandel. De discussie over de scheiding van verschillende soorten koopwaar (zoals vis en groente) was indertijd een belangrijk onderdeel van de professionalisering en sanering van de marktindeling. Marktwezen