Archief 745
Inventaris 745-303
Pagina 112
Dossier 75
Jaar 1939
Stadsarchief

Getypte brief (Afschrift).

1 maart 1936. Van: Niet expliciet vermeld op de voorzijde, maar betreft een organisatie of instantie die overlegt met deskundigen.

Origineel

Getypte brief (Afschrift). 1 maart 1936. Niet expliciet vermeld op de voorzijde, maar betreft een organisatie of instantie die overlegt met deskundigen. AFSCHRIFT.

1 Maart 1936.

Den Weledelgestr. Heer Mr. Lietaert Peerbolte
te
's Gravenhage.

Weledelgestrenge Heer,

In aansluiting op ons schrijven d.d. 29 Februari j.l., nemen wij beleefd de vrijheid nog het navolgende onder Uw welwillende aandacht te brengen.

Wij vroegen in deze aangelegenheid nog de meening van Dr. W. Majoesky, Veearts bij den warenkeuringsdienst te Arnhem, die zich zeer veel op het terrein van de wild- en gevogeltekeuring heeft bewogen, omdat wij ernstige bezwaren meenen te moeten inbrengen tegen den inhoud, voor zoover ons bekend, van het ontwerp-wet tot regeling van het preventieve toezicht (keuring) op den handel in slachtpluimvee en wild.

Zijn meening komt in het kort hier op neer:

Zal het voortaan mogelijk zijn, dat vanuit een slagerszaak behalve vleesch en vleeschwaren ook wild en gevogelte wordt verkocht?

Een dergelijke regeling is, wat gevogelte betreft, uit het oogpunt van vleeschhygiëne ongewenscht en wat wild betreft ontoelaatbaar, om de volgende redenen:

De geheele opzet der vleeschkeuringswet is, besmetting of bezoedeling van vleesch zoo veel mogelijk te voorkomen. De verkoop van goedgekeurd, en dienovereenkomstig gewaarmerkt pluimvee, brengt de kans op ongewenscht contact van het vleesch met slacht afval (panklaar maken toch dient in de zaak te geschieden) met zich mede, wat, al moge het dan geen direct gevaar meebrengen, toch minder gewenscht is. Ten aanzien van den verkoop van wild dient het volgende te worden opgemerkt.

De gang van zaken in het poeliersbedrijf is aldus: het wild wordt op de jacht geschoten en sterft zonder te zijn uitgebloed en wordt niet eerder ontweid dan bij verkoop (een uitzondering hierop maken Ree, Edel- en Damhert en buitenlandsche ingevroren konijnen. Het wordt in ieder geval in de huid vervoerd en blijft wat veerwild betreft in de pluimen, tot op het moment, dat het aan de clientèle wordt verkocht. Het gevolg hiervan is, dat in belangrijke mate, bij wild een bacteriologisch bedervingsproces intreedt (het z.g. adelijk worden) ten gevolge waarvan bovendien nog een specifieke geur wordt uitgewasemd, die voor de liefhebbers van wild aantrekkelijk is, maar waarin men toch bezwaarlijk vleesch kan bewaren, of behandelen, Daarbij is de kans op contactinfectie voor het laatste groot, voornamelijk ook al, wijl in de slagerszaak dan ook het wild zal moeten worden gestroopt, ontweid en klaargemaakt. Bovendien is in bepaalde tijden van het jaar het gevaar groot, dat de op dit gebied ondeskundige slager het feit voorbij ziet, dat ter voorkoming van de z.g. geslachtsreuk, bepaalde organen onmiddellijk moeten worden verwijderd, wil men niet het risico loopen, dat

z.o.z. * Taalgebruik: Het document is geschreven in de formele, ambtelijke stijl van de jaren 1930, met de destijds geldende spelling (zoals vleesch, meening, zoo veel mogelijk).
* Kern van het betoog: De brief bevat scherpe hygiënische bezwaren tegen het toestaan van de verkoop van wild en gevogelte in reguliere slagerijen. De auteur citeert de expertise van Dr. Majoesky, die stelt dat de verwerking van wild (dat niet is uitgebloed en vaak pas laat wordt ontweid) fundamenteel verschilt van de reguliere vleeshouwerij.
* Hygiënische argumenten: Men vreest voor kruisbesmetting tussen het "adelijke" (licht bedorven/besmet) wild en het verse vlees in de slagerij. Daarnaast wordt gewezen op de ondeskundigheid van reguliere slagers bij specifieke handelingen, zoals het verwijderen van organen die de "geslachtsreuk" (bronstgeur) verspreiden.
* Terminologie: Termen als "ontweiden" (het uitnemen van de ingewanden van wild), "panklaar maken" en "adelijk worden" (een eufemisme voor het beginstadium van ontbinding dat bij wild geapprecieerd wordt) zijn specifiek voor de poeliers- en jagerswereld. Dit document stamt uit het interbellum (1936), een periode waarin de Nederlandse overheid de regelgeving rondom voedselveiligheid en volksgezondheid moderniseerde. De Vleeschkeuringswet vormde de basis, maar de uitbreiding naar gevogelte en wild was destijds een punt van discussie tussen verschillende beroepsgroepen (slagers versus poeliers). Mr. Lietaert Peerbolte, de geadresseerde, was een prominent jurist en ambtenaar bij het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, wat verklaart waarom deze specialistische bezwaren aan hem werden gericht in het kader van wetvorming.

Samenvatting

  • Taalgebruik: Het document is geschreven in de formele, ambtelijke stijl van de jaren 1930, met de destijds geldende spelling (zoals vleesch, meening, zoo veel mogelijk).
  • Kern van het betoog: De brief bevat scherpe hygiënische bezwaren tegen het toestaan van de verkoop van wild en gevogelte in reguliere slagerijen. De auteur citeert de expertise van Dr. Majoesky, die stelt dat de verwerking van wild (dat niet is uitgebloed en vaak pas laat wordt ontweid) fundamenteel verschilt van de reguliere vleeshouwerij.
  • Hygiënische argumenten: Men vreest voor kruisbesmetting tussen het "adelijke" (licht bedorven/besmet) wild en het verse vlees in de slagerij. Daarnaast wordt gewezen op de ondeskundigheid van reguliere slagers bij specifieke handelingen, zoals het verwijderen van organen die de "geslachtsreuk" (bronstgeur) verspreiden.
  • Terminologie: Termen als "ontweiden" (het uitnemen van de ingewanden van wild), "panklaar maken" en "adelijk worden" (een eufemisme voor het beginstadium van ontbinding dat bij wild geapprecieerd wordt) zijn specifiek voor de poeliers- en jagerswereld.

Historische Context

Dit document stamt uit het interbellum (1936), een periode waarin de Nederlandse overheid de regelgeving rondom voedselveiligheid en volksgezondheid moderniseerde. De Vleeschkeuringswet vormde de basis, maar de uitbreiding naar gevogelte en wild was destijds een punt van discussie tussen verschillende beroepsgroepen (slagers versus poeliers). Mr. Lietaert Peerbolte, de geadresseerde, was een prominent jurist en ambtenaar bij het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid, wat verklaart waarom deze specialistische bezwaren aan hem werden gericht in het kader van wetvorming.

Kooplieden in dit dossier 42

A. Melhado Waterlooplein
A. Velleman Waterlooplein
B.Soester Waterlooplein
D.Nebbering Waterlooplein
Gebr.Jonk
Gebr.Verhoef
G. v. Gelder Waterlooplein
H. Couzyn Waterlooplein
H.G.Oudkerk
H.Stephanus Waterlooplein
N. de Roeverstr Waterlooplein
Jb.Reyndorp Waterlooplein
J.F.Toethuis
J. Rine Waterlooplein
J. Rol Waterlooplein
J. Schut Waterlooplein
J.W.Reese Waterlooplein
D. v. d. Molen Waterlooplein
M. Levie Waterlooplein
M.P.Krachtwyk
Alle 42 kooplieden →