Getypte pagina uit een verslag of rapport van een vergadering.
Origineel
Getypte pagina uit een verslag of rapport van een vergadering. Naar schatting medio jaren '20 (er wordt verwezen naar een besluit van 23 januari 1925). 3
winkel of slachtplaats hebben tot den verkoop in het klein worden toegelaten.
Zou men overgaan tot centralisatie zonder dergelyke maatregelen, dan zou dit tot gevolg hebben, dat de invoer van geslacht pluimvee zou toenemen, ten koste van de slachtingen te Amsterdam. De concurrentie laat geen verdere eenzydige verhooging van de bedryfskosten der gevestigde poeliers toe. Men meende, dat zelfs het verbeteren van de slachtplaatsen te Amsterdam hierdoor bezwaarlyk zonder meer zou zyn door te voeren.
De sub-commissie is van oordeel dat het, gehoord deze mededeelingen, blykbaar niet goed mogelyk zal zyn tot een compromis te geraken tusschen de verschillende by het vraagstuk betrokken belangen n.l. die, voortvloeiende uit de toepassing der hinderwet, de hygiënische, de markt- en handelsbelangen.
Zy acht het vooralsnog van geen nut, na de verkregen informaties, verder contact met den handel te zoeken.
Het is volgens den heer Samson wel mogelyk om op grond van art. 4 der Hinderwet tot het oprichten van een centrale slachtplaats te komen, maar daarmede is nog geen verplichte keuring bereikt. De Warenwet bepaalt wel, aldus de heer Segaar, dat de ambtenaren kunnen eischen om de waren te toonen. Echter een verplichting om de waren daarvoor naar een centrale plaats te voeren houdt zulks niet in. Men zou de Regeering daarvoor moeten verzoeken tot het nemen van een "Wild- en gevogeltebesluit". De verplichte keuring ware door middel van een gemeentelyke verordening, in afwachting van een desbetreffende wyziging der Vleeschkeuringswet, te bevorderen.
De sub-commissie is van meening, dat het gewenscht is, deze aangelegenheid verder in een vergadering van de Commissie in pleno te bespreken.
Naar aanleiding van de vraag, of keuring van geslacht pluimvee door de Gemeente kan worden gevorderd, vestigt Dr. van Raalte er de aandacht op, dat, als het gaat om het stellen van eischen aan waren, de Gemeente dit slechts per Verordening zal mogen regelen met toestemming van de Regeering. (Zie Warenwet, art. 15, sub 3).
De Heer Reeser wyst er op, dat op grond van het Besluit van 23 Januari 1925, tot toepassing der artt. 14 en 15 der Deze pagina documenteert de complexe afwegingen rondom de modernisering en centralisatie van pluimveeslachtingen in Amsterdam. De kern van het probleem is een belangenconflict:
* Economische belangen: Lokale poeliers vrezen dat centralisatie hun bedrijfskosten verhoogt, waardoor zij de concurrentie met geïmporteerd geslacht pluimvee zouden verliezen.
* Publieke belangen: Er is een wens voor betere hygiëne en controle, wat zou kunnen via de Hinderwet of een centrale slachtplaats.
Juridisch gezien blijkt het lastig om een verplichte centrale keuring af te dwingen. De toenmalige Warenwet gaf wel inspectiebevoegdheid, maar bood geen basis om handelaren te dwingen hun goederen naar een specifieke locatie te brengen. Als oplossing wordt gesuggereerd om de landelijke regering te verzoeken om een specifiek "Wild- en gevogeltebesluit" of om via gemeentelijke verordeningen vooruit te lopen op een wijziging van de Vleeschkeuringswet. De subcommissie concludeert dat een compromis met de sector vooralsnog niet haalbaar is en schuift de kwestie door naar de voltallige commissie ("in pleno"). Dit document stamt uit een periode waarin de voedselveiligheid en volksgezondheid in Nederland steeds sterker werden gereguleerd. De discussie over de keuring van pluimvee volgde op de eerdere invoering van de Vleeschkeuringswet (1919), die in eerste instantie vooral op vee gericht was.
Amsterdam probeerde in deze jaren de hygiëne te verbeteren door slachtactiviteiten te centraliseren, wat vaak op weerstand stuitte van kleine ondernemers (poeliers) vanwege de extra kosten en logistieke rompslomp. De genoemde personen (Samson, Segaar, Dr. van Raalte, Reeser) waren waarschijnlijk ambtenaren, deskundigen of commissieleden betrokken bij de Amsterdamse Gezondheidsdienst of het marktwezen. De verwijzing naar het Besluit van 1925 suggereert dat de discussie ergens tussen 1925 en 1930 plaatsvond.