Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. Vrijdag 6 december 1935. Nº 1/102/1 M. 1935 20/12
VM. Markthw.
No. 1305 L.M.1935.
No. 1048 V.H.1935. Bespreking, in zake pluimvee-
slachterij.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van *zi. dir. VW*
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam,
Vrijdag, 6 December 1935.
De Wethouder voor de Volkshuisvesting brengt ter tafel het schrij-
ven van den Directeur van het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht van
25 November 1935, No. 264 A.Z., waarin de aandacht wordt gevestigd
op den hinder, die in toenemende mate wordt ondervonden van kippen-
slachterijen en de wenschelijkheid wordt betoogd tot het treffen van
maatregelen ter beperking van dezen hinder.
Uit de hierop volgende bespreking blijkt, dat de vergadering met
den Directeur voornoemd van meening is, dat ten aanzien van de be-
doelde aangelegenheid regelend moet worden opgetreden.
Op voorstel van den Wethouder voornoemd besluiten Burgemeester
en Wethouders goed te keuren, dat de Directeur van het Gemeentelijk
Bouw- en Woningtoezicht te onderwerpelijke zake overleg pleegt met den
Directeur van den Keuringsdienst van Waren, den Directeur van de
Veemarkt en het Abattoir en den Hoofdcommissaris van Politie, met op-
dracht het resultaat van dat overleg ter kennis te brengen van den
Wethouder voor de Volkshuisvesting.
Afschrift hiervan zal worden gegeven aan de afdeelingen Volks-
huisvesting (2 stuks). Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en
zweminrichtingen (3 stuks) en Algemeene Zaken (2 stuks).
Voor eensluidend extract,
de Secretaris,
w.g. Van Lier. Dit document is een officieel verslag van een besluit genomen door het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam in december 1935. De kern van het stuk is de aanpak van de overlast ("hinder") veroorzaakt door kippenslachterijen in de stad.
Uit de tekst blijkt een ambtelijke en bestuurlijke hiërarchie: de Wethouder voor de Volkshuisvesting agendeert het probleem op basis van een signaal van de Directeur van Bouw- en Woningtoezicht. Het college besluit niet direct tot nieuwe regels, maar geeft opdracht tot een breed interdepartementaal overleg. Dit overleg betrekt diverse cruciale stadsdiensten: de volksgezondheid (Keuringsdienst van Waren), de economische infrastructuur (Abattoir) en de openbare orde (Politie). Dit wijst op een integrale benadering van een stedelijk probleem dat zowel hygiënische als planologische aspecten heeft. In de jaren '30 onderging Amsterdam een periode van sterke modernisering en schaalvergroting. Kleinschalige, vaak hinderlijke bedrijvigheid zoals pluimveeslachterijen midden in woonwijken strookte steeds minder met de opkomende idealen van hygiëne en ordelijke volkshuisvesting.
De "Wethouder voor de Volkshuisvesting" was in deze periode een invloedrijke figuur (ten tijde van dit document was dit Monne de Miranda), belast met het saneren van krotten en het verbeteren van de leefbaarheid in de stad. Het feit dat kopieën van dit besluit naar afdelingen als "Wasch- en schoonmaakinrichtingen" werden gestuurd, illustreert hoe nauw zaken als stankoverlast en volksgezondheid toen met elkaar verweven waren in het stedelijk beleid. De uiteindelijk beoogde oplossing was vaak de centralisatie van dergelijke activiteiten in het Gemeentelijk Abattoir aan de Veelaan.