Ambtelijk conceptadvies / Bestuursdocument.
Origineel
Ambtelijk conceptadvies / Bestuursdocument. Na 25 november 1936 (referentie naar een vergadering op die datum). Noot: De originele spelling en interpunctie zijn aangehouden.
CONCEPT Aan de Commissie voor het bestudeeren van
maatregelen ter beteugeling van den hinder
van pluimvee-slachterijen.
______
De ter vergadering van 25 November 1936 ingestelde
sub-commissie, aan wier werkzaamheden is deelgenomen door den
secretaris van het Marktwezen Mr.A.van Praag, heeft zich beraden,
welke regeling voor het slachten en keuren van en den handel in
wild en gevogelte hier ter stede, bij den huidigen stand der Wet-
geving, kan worden ontworpen.
Naar het oordeel van de sub-commissie is het gewenscht
om de voorgestelde bepalingen te beperken tot pluimvee en konijnen.
Het wild-verbruik hier ter stede heeft niet zoodanigen omvang, dat
bijzondere maatregelen daarvoor worden vereischt; ook het slachten
pleegt niet den hinder te veroorzaken, die van pluimvee-slachte-
rijen wordt ondervonden. De wenschelijkheid om wèl konijnen bij de
regeling te betrekken berust vooral op het grootere verbruik, dat
een intensievere keuring wettigt.
Voor de onderhavige regeling komen drie wetten als
uitgangspunt in aanmerking:
I) art.4 sub 3e der Hinderwet;
II) art.15 lid 3 der Warenwet 1919 (S.581);
III) art.168 der Gemeentewet.
Ad I. Krachtens artikel 4 sub 3e der Hinderwet kan de
Gemeenteraad bij plaatselijke verordening verbieden o.a. om een
slachterij op te richten, te hebben of te gebruiken indien in de
gemeente een inrichting aanwezig is, waarin belanghebbenden onder
bij verordening vast te stellen voorwaarden het bedrijf kunnen
uitoefenen.
De eenige vraag, die hier rijst is, of een pluimvee-
slachterij een slachterij is in den zin van deze wetsbepaling.
Gezien het feit, dat een Wetsontwerp aanhangig is, waarbij de
pluimvee-slachterijen uitdrukkelijk onder dit voorschrift worden
gebracht, moet deze vraag waarschijnlijk voor de wet in haar huidi-
gen vorm ontkennend worden beantwoord. Aangezien de Regeering even- Dit document is een juridische verkenning door een subcommissie naar de mogelijkheden om de overlast (hinder) van pluimveeslachterijen in een stedelijke omgeving te reguleren. De belangrijkste punten zijn:
- Scope-beperking: Men adviseert om 'wild' buiten de regeling te laten wegens een gering consumptievolume en weinig overlast, maar 'konijnen' expliciet toe te voegen vanwege het hoge consumptieniveau en de noodzaak tot keuring.
- Juridische grondslag: De commissie toetst de uitvoerbaarheid aan drie bestaande wetten: de Hinderwet, de Warenwet 1919 en de Gemeentewet.
- Definitiekwestie: Er ontstaat een juridisch knelpunt bij de Hinderwet. De toenmalige wet sprak over "slachterijen", maar het was onduidelijk of pluimveeslachterijen hieronder vielen. De subcommissie concludeert dat dit bij de huidige wet waarschijnlijk niet het geval is, aangezien er op dat moment een nieuw wetsvoorstel in voorbereiding was om dit hiaat te dichten. Het document weerspiegelt de bestuurlijke zorgen in de jaren '30 over volksgezondheid en stedelijke hinder in een periode van toenemende bevolkingsdichtheid en professionalisering van de voedselketen. Het feit dat de secretaris van het "Marktwezen" betrokken is, duidt erop dat het hier waarschijnlijk gaat om een grote stad (zoals Amsterdam) waar de controle op markten en slachtplaatsen een prioriteit was. De discussie illustreert de overgang van versnipperde lokale verordeningen naar meer gestandaardiseerde nationale wetgeving op het gebied van hygiëne en milieuhinder. De tekst breekt halverwege een argument over de houding van de Regering af, wat suggereert dat dit een eerste pagina is van een langer rapport. A. van Praag I. Krachtens Marktwezen