Getypte ambtelijke nota of rapportage.
Origineel
Getypte ambtelijke nota of rapportage. -2-
plaatsen op die markt te vestigen.
Het Bestuur der voornoemde Vereeniging heeft verschillende bezwaren tegen de voorgestelde centralisatie geuit, doch tenslotte verklaard tot op zekere hoogte hieraan te willen medewerken, indien de centralisatie zou kunnen worden dienstbaar gemaakt aan een verbetering van de organisatie van den kleinhandel in geslacht pluimvee, door den straathandel te beperken, die ongelyke concurrentie-verhoudingen schept. Met name zou deze beperking moeten inhouden een verplichting tot aanvoer van alle levend en geslacht pluimvee (en konynen) op de centrale marktplaats te Amsterdam en een verplichting tot keuring aldaar. Als verdere maatregel stelde de Vereeniging nog voor een vergunningsstelsel, waarby alleen degenen, die te Amsterdam een goedgekeurde winkel of slachtplaats hebben, tot den verkoop in het klein zouden worden toegelaten. Deze laatste maatregel wordt door de geraadpleegde diensten onjuist geacht; nog daargelaten, dat hy geen rekening houdt met het principe van centralisatie der slachteryen, wordt een vergunningsstelsel uitsluitend voor den localen winkelstand onwettig geacht. De overige door de organisatie van belanghebbenden gevraagde maatregelen zyn echter inderdaad voor de onderhavige materie van belang, weshalve zy hieronder, in ander verband, nader zullen worden behandeld.
Voor regeling van de onderhavige materie komen drie wetten als uitgangspunt in aanmerking:
I. artikel 4 sub 3e der Hinderwet;
II. artikel 15 lid 3 der Warenwet 1919 (S.581);
III. artikel 168 der Gemeentewet.
Ad 1. Krachtens artikel 4 sub 3e der Hinderwet kan de Gemeenteraad by plaatselyke verordening verbieden onder andere om een slachtery op te richten, te hebben of te gebruiken indien in de gemeente een inrichting aanwezig is, waarin belanghebbenen onder by verordening vast te stellen voorwaarden het bedryf kunnen uitoefenen.
--- Dit document betreft een beleidsstuk over de herstructurering van de pluimveehandel in Amsterdam. De kern van het geschil ligt in de wens van een beroepsvereniging om de centralisatie van de markt te gebruiken als middel om de straathandel aan banden te leggen. De vereniging voert aan dat straathandel "ongelyke concurrentie" veroorzaakt.
De voorgestelde oplossingen van de vereniging zijn:
1. Verplichte aanvoer: Al het pluimvee en konijnen moeten naar de centrale markt.
2. Verplichte keuring: Keuring moet ter plekke op de markt gebeuren.
3. Vestigingseisen: Een verbod op verkoop voor partijen zonder goedgekeurde fysieke winkel of slachtplaats in de stad.
De overheid wijst het derde punt (het vergunningsstelsel voor de lokale winkelstand) af op juridische gronden en omdat het indruist tegen het algemene principe van centralisatie. De nota schakelt vervolgens over naar een juridische analyse van de bevoegdheden van de gemeente om deze centralisatie af te dwingen, waarbij de Hinderwet, de Warenwet van 1919 en de Gemeentewet als fundamenten dienen.
--- In de vroege 20e eeuw onderging de voedselvoorziening in grote steden als Amsterdam een professionaliseringsslag. Hygiëne en controle werden belangrijker, wat leidde tot de oprichting van centrale markten en openbare slachthuizen. Gevestigde winkeliers en hun verenigingen probeerden deze nieuwe regelgeving vaak te gebruiken om hun eigen positie te beschermen tegenover de informele sector, zoals straathandelaren, die minder overheadkosten hadden.
Het document illustreert hoe de overheid balanceerde tussen de wensen van georganiseerde belangenverenigingen en de juridische kaders van de landelijke wetgeving. De verwijzing naar de Hinderwet toont aan dat ruimtelijke en milieuregels (hinder) werden ingezet om economische activiteiten te kanaliseren naar specifieke locaties (de "inrichting" oftewel het centraal slachthuis/markt). De spelling is kenmerkend voor de periode vóór de spellinghervorming van Marchant (1934/1947), zichtbaar in woorden als 'slachteryen' en 'plaatselyke'.