Ambtelijke brief (afschrift)
Origineel
Ambtelijke brief (afschrift) 12 juli 1939 Onbekend (namens de Dienst Veemarkt-Abattoir) AFSCHRIFT
[Afbeelding van het wapen van Amsterdam]
DIENST
VEEMARKT-ABATTOIR
AMSTERDAM (CENTRUM)
REKENING GEM. GIROKANTOOR
No. 64 ABATTOIR EN No. 100 KOELHUIS
No. 319 A.
~~BIJLAGE~~
AMSTERDAM, 12 Juli 1939.
TELEFOON 51514 en 51515
Aan den Heer Directeur van het
Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht
ALHIER (C).
Naar aanleiding van Uw schrijven d.d. 24 Juni 1939
No. 264/17 A.Z. 1935, met bijgevoegd afschrift van een
schrijven van den Wethouder voor de Levensmiddelen, enz.
d.d. 7 Juni 1939 No. 380 L.M./1939, gericht aan diens
Ambtgenoot voor de Volkshuisvesting, heb ik de eer U het
volgende te berichten.
De Commissie ingesteld bij besluit van Burgemeester
en Wethouders van 6 December 1935 No. 1048 V-H heeft m.i.
niet tot taak een bepaald advies uit te brengen omtrent de
plaats, waar een eventueele centrale gemeentelijke slacht-
plaats voor pluimvee en konijnen zal dienen te worden ge-
vestigd en naar mijn meening bedoelt het schrijven van den
Wethouder voor de Volkshuisvesting dan ook niet op dit
punt nadere voorlichting van de Commissie te ontvangen.
De strekking van laatstbedoeld schrijven is slechts con-
crete gegevens te bekomen omtrent den bestaanden toestand
met betrekking tot de particuliere slachterijen ( aantal )
en den omvang der consumptie van pluimvee en konijnen.
Van den aard der hieromtrent te bekomen nadere inlichtin-
gen
gen [onderaan de pagina genoteerd als overgang naar volgende pagina]
No. 83 V.A. Deze brief dient als een formele verduidelijking van de bevoegdheden van een in 1935 ingestelde commissie. De kern van de correspondentie is de interpretatie van een verzoek van de Wethouder voor Volkshuisvesting. De afzender stelt dat de commissie niet verantwoordelijk is voor het adviseren over de locatie van een nieuwe centrale slachtplaats voor pluimvee en konijnen. In plaats daarvan wordt betoogd dat de focus moet liggen op het verzamelen van feitelijke, statistische gegevens: het aantal bestaande particuliere slachterijen en de totale consumptieomvang. De brief illustreert de bureaucratische afstemming tussen verschillende gemeentelijke diensten (Abattoir, Bouw- en Woningtoezicht, en de wethouders van respectievelijk Levensmiddelen en Volkshuisvesting) over de reikwijdte van onderzoek en beleidsvoorbereiding. Het document dateert van vlak voor de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog (juli 1939). In deze periode was de gemeente Amsterdam (met name de Dienst Veemarkt-Abattoir, gevestigd in het Oostelijk Havengebied) intensief bezig met het reguleren en centraliseren van de voedselvoorziening uit oogpunt van hygiëne en economische controle. De discussie over een 'centrale gemeentelijke slachtplaats' suggereert een gewenste overgang van versnipperde, particuliere slachtactiviteiten naar een meer gecontroleerde publieke faciliteit. De referentie naar de wethouders toont de politieke gevoeligheid aan: waar het slachthuis (Levensmiddelen) kijkt naar de bedrijfsvoering, kijkt Bouw- en Woningtoezicht (en Volkshuisvesting) naar de ruimtelijke ordening en eventuele overlast in de stad. Het gebruik van "C" in de adressering duidt op het administratieve centrum van de stad.