Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Extract uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. 6 januari 1939 (besluit van Gedeputeerde Staten d.d. 28 december 1938). No.361/203 Fin.1938.
[Handgeschreven:] № 120 LM 39
[Stempel:] № 4 / 1 / M. 1939 [Handgeschreven boven stempel:] 24/1
[Handgeschreven in de kantlijn:] ni Dit wil Hr. Meester [?]
[In de rechterbovenhoek getypt:]
Om aan de afdeelingen der Gemeente-
secretarie enz. mededeeling te doen
dat de beslissing ten aanzien van de
Gemeentebegrooting 1939 door Gede-
puteerde Staten is verdaagd.
[Handgeschreven paraaf/naam:] Marthen [?]
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Vrijdag, 6 Januari 1939.
De Wethouder voor de Financiën deelt aan de Vergadering mede, dat blijkens ingekomen bericht, bij besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-holland d.d. 28 December 1938, No. 199 3e Afd. A de beslissing ten aanzien van de Gemeentebegrooting voor den Dienst 1939 is verdaagd, terwijl bij datzelfde besluit aan het Gemeentebestuur de machtigingen zijn verleend, bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 246 der Gemeentewet, wat laatstgenoemde machtiging betreft voor zoover daaromtrent geen Koninklijke beslissing behoort te worden afgewacht.
Op voorstel van den Wethouder voornoemd, besluit de Vergadering van dit besluit mededeeling te doen aan alle afdeelingen der Gemeentesecretarie, alsmede aan den Gemeenteontvanger, het Bureau Gemeentesecretaris, en het Pensioenbureau, met opdracht:
1o. de Hoofden der onder deze afdeeling ressorteerende takken van dienst, of de besturen der door de Gemeente gesubsidieerde vereenigingen voor zoover elk hunner aangaat, te wijzen op de veranderingen die de begrooting tijdens de behandeling in den Gemeenteraad heeft ondergaan, alsmede op de hiervóór vermelde beperkingen met betrekking tot de bevoegdheid tot het doen van uitgaven; deze mededeeling wordt, voor zoover de Hoofden van Dienst betreft, mede gedaan, teneinde hen in staat te stellen de toelichting der Begrooting daarmee in overeenstemming te brengen;
2o. de Hoofden van takken van dienst er op te wijzen, dat de door Gedeputeerde Staten aan het Gemeentebestuur verstrekte machtiging om uit de posten der begrooting 1939 uitgaven te doen geenszins beteekent, dat ten volle over de uitgetrokken bedragen mag worden beschikt, doch dat het reeds op hen gedane beroep om volle medewerking te verleenen tot het bereiken van de grootst mogelijke zuinigheid in het doen van uitgaven, waaronder de buitengewone uitgaven evenzeer worden begrepen, ten volle van kracht blijft.
C.
Voor eensluidend extract,
de Secretaris,
[Handtekening:] get. J.H. Beusekom l.s.
[Rechtsonder handgeschreven:] 4 Dit document is een officieel uittreksel van een besluit van het Amsterdamse College van B&W. De kern van het document is de mededeling dat de provinciale toezichthouder (Gedeputeerde Staten van Noord-Holland) de goedkeuring van de gemeentebegroting voor 1939 heeft uitgesteld.
Hoewel er een voorlopige machtiging is gegeven om uitgaven te doen (op basis van de Gemeentewet), bevat het document een zeer strikte instructie aan alle diensthoofden en gesubsidieerde instellingen. Men wordt gewaarschuwd dat de begroting in de Gemeenteraad is gewijzigd en dat men absoluut niet het recht heeft om de volledige budgetten uit de conceptbegroting te besteden. De nadruk ligt op de "grootst mogelijke zuinigheid", ook voor buitengewone uitgaven. Het document dateert van januari 1939, een periode van grote internationale spanning en economische onzekerheid vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandse overheid voerde in deze jaren een strikt bezuinigingsbeleid (het beleid van de 'aanpassing').
De juridische verwijzing naar artikel 246 van de toenmalige Gemeentewet heeft betrekking op de procedure wanneer een begroting nog niet definitief is vastgesteld door de hogere overheid. In dergelijke gevallen mochten gemeenten slechts beperkte uitgaven doen om de lopende zaken gaande te houden. De vertraging door Gedeputeerde Staten suggereert dat er mogelijk frictie was tussen het Amsterdamse stadsbestuur en de provinciale/landelijke overheid over de financiële koers van de hoofdstad.