Circulaire (No. 2410 P.B.)
Origineel
Circulaire (No. 2410 P.B.) 3 december 1940 [Linksboven, handgeschreven:]
M. 1940 6/12
03/11/1
H.H. de Vries en Veerman
[Midden boven, gedrukt en gestempeld:]
GEMEENTE AMSTERDAM
No. 2410 P.B. / 1090 hm. 1940 M.i.
[Handgeschreven parafen en namen, o.a.:] Th. Muller, Duinhouwer.
[Rechtsboven:]
Amsterdam, 3 December 1940.
Onder herinnering aan mijn circulaires dd. 19 Mei 1939, No. 907 P.B. en dd. 26 Juli 1939, No. 907a P.B., in zake verhaal van pensioensbijdragen ten aanzien van gemobiliseerde ambtenaren en werklieden, breng ik thans onder Uw aandacht, dat in de Nederlandsche Staatscourant dd. 20 November 1940, No. 227, de navolgende beschikking ter zake is gepubliceerd:
"Beschikking van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken betreffende verhaal van de bijdragen, bedoeld in artikel 36 der Pensioenwet 1922 (Staatsblad No. 240) op ambtenaren, die gemobiliseerd zijn geweest.
No. 172 IV
Afd. P. en W.
In overeenstemming met §§ 2 en 3 der Verordening No. 3/1940 en op grond der Verordening No. 137/1940 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied bepaal ik:
Artikel 1.
1. Ten aanzien van den ambtenaar in den zin der Pensioenwet 1922 (Staatsblad No. 240), die in verband met oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden verplichten werkelijken dienst heeft verricht en op wien het verhaal, bedoeld in het Koninklijk besluit dd. 28 November 1922 (Staatsblad No. 638) niet of slechts ten deele heeft plaats gehad, geschiedt dit verhaal, voor zoover het niet op de bezoldiging als burgerlijk ambtenaar is ingehouden, op den voet van artikel 4 van dat besluit.
2. In bijzondere gevallen kan het betrokken lichaam het ingevolge de eerste alinea te verhalen bedrag over een langer tijdvak, dan in genoemd artikel 4 bedoeld, doen plaats hebben.
Artikel 2.
Deze beschikking treedt in werking met ingang van den dag, volgende op dien harer plaatsing in de Nederlandsche Staatscourant.
's-Gravenhage, 18 November 1940.
De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken,
Frederiks"
Het aangehaalde artikel 4 van het Koninklijk besluit van 28 November 1922, (Stbl. No. 638) luidt:
"Indien een ambtenaar tijdelijk geen inkomsten als zoodanig geniet, wordt het verhaal over het betrokken tijdvak opgeschort. Het dientengevolge door den ambtenaar schuldig gebleven bedrag wordt boven de regelmatige korting volgens dit besluit, met ingang van den dag, waarop de ambtenaar wederom inkomsten als zoodanig gaat genieten, ingehouden op den voet, waarop de inhouding zou hebben plaats gevonden indien de tijdelijke stilstand van inkomsten niet had plaats gevonden".
Ik verzoek U wel te willen bevorderen, dat ten aanzien van de ambtenaren en werklieden bij de onder U ressorteerende takken van dienst werkzaam, die bij de bovenbedoelde aangelegenheid betrokken zijn, de bovenstaande regelen, te rekenen van 21 November l.l. af, toepassing vinden.
Omtrent eventueele toepassing van artikel 2 van de bovenvermelde beschikking ware vooraf schriftelijk advies in te winnen bij de Afdeeling Arbeidszaken (Pensioenbureau) der Gemeentesecretarie.
Voor zoover betreft de aanteekening op de stamkaarten van de uit bovenbedoelden hoofde alsnog in te houden pensioensbijdragen zij verwezen naar het slot van de in mijn qualiteit van Wethouder voor de Arbeidszaken gezonden circulaire dd. 14 December 1939, No. 1655 Arb.
EL
De Wethouder voor de Pensioenen,
[Handgeschreven handtekening:] Koopman.
Aan den Heer Wethouder voor
[Handgeschreven:] de Levensm. AZ BZ in.
[Linksonder, handgeschreven:]
~ Beeren bijvoegen Dit document is een administratieve instructie van de gemeente Amsterdam betreffende de financiële afwikkeling van de mobilisatieperiode (1939-1940). De kern van de zaak is de inning van pensioenpremies die niet konden worden ingehouden terwijl ambtenaren in militaire dienst waren en dus geen regulier burgerlijk salaris ontvingen.
Belangrijke elementen:
1. Regelgeving: Er wordt verwezen naar de Pensioenwet van 1922, maar de nieuwe instructies zijn gebaseerd op verordeningen van de Rijkscommissaris (Arthur Seyss-Inquart). Dit markeert de overgang van de Nederlandse rechtsorde naar de bezettingstijd, waarbij de Duitse bezetter via de Secretarissen-Generaal (in dit geval K.J. Frederiks van Binnenlandse Zaken) het bestuur aanstuurde.
2. Inhouding: Artikel 4 van het besluit van 1922 bepaalt dat de achterstallige premies alsnog moeten worden ingehouden zodra de ambtenaar weer zijn normale burgerfunctie opneemt.
3. Bureaucratie: De circulaire is gericht aan een specifieke wethouder (handgeschreven ingevuld als "de Levensm." – waarschijnlijk Levensmiddelenvoorziening) om te zorgen voor uitvoering binnen zijn diensten. Ten tijde van dit schrijven (december 1940) was Nederland ruim een half jaar bezet door nazi-Duitsland. Veel Nederlandse militairen die in mei 1940 gemobiliseerd waren, waren inmiddels weer teruggekeerd in hun burgerberoep bij de overheid.
De administratie van de gemeente Amsterdam werkte onder toezicht van de bezetter door. K.J. Frederiks, de hier genoemde Secretaris-Generaal, speelde een controversiële rol: hij probeerde de Nederlandse administratie draaiende te houden om erger te voorkomen (de 'politiek van het minste kwaad'), maar moest daarvoor wel verordeningen van de Rijkscommissaris uitvoeren. Deze circulaire toont hoe de praktische, financiële gevolgen van de oorlog en de bezetting doorwerkten tot op het niveau van de individuele ambtenaar en diens loonstrook.