Ambtelijk schrijven / rapportage.
Origineel
Ambtelijk schrijven / rapportage. 12 maart 1940. De Marktmeester (ondertekend door H.F. de Vries). Dit is alles wat v. Praag over valsch spelen ter sprake brengt.
waartegenover staat, minstens een kwartier demonstratie van
zijn trucs, die zeer in de smaak vallen en daarom ook gekocht
worden; bovendien speculeert hij niet op valsch spel mogelijkheden
tegen het oogenblik dat hij gaat verkoopen maar juist meer aan het begin.
Tal van kooplieden inspelen bij het aanprijzen van hun
artikelen op a-sociale mogelijkheden of afkomst; en onder hen is
van Praag niet de ergste.
Ik zie dan ook geen enkele aanleiding om hem bovenstaande
uitdrukkingen te verbieden waarvoor dan vrijwel zeker bedekte termen
terug zullen komen die dan, door hun geheimzinnigheid, misschien
wel moreele schade zouden kunnen aanrichten.
v. Praag houdt zijn steeds groote stand lang vast, misschien
is hierin een oorzaak tot bovenbedoelde klacht te vinden.
Amsterdam 12 Maart 1940.
De Marktmeester
[Handtekening: H.F. de Vries] In deze brief reageert de Amsterdamse marktmeester op een klacht over de verkoopmethode van een marktkoopman genaamd Van Praag. De kern van de zaak lijkt te gaan over de taal die Van Praag bezigt en de manier waarop hij "trucs" (goochelarij of behendigheidsspelletjes) gebruikt om publiek te trekken.
De marktmeester is opvallend mild en pragmatisch in zijn oordeel:
1. Hij stelt dat de demonstraties van Van Praag juist gewaardeerd worden door het publiek en bijdragen aan de verkoop.
2. Hij relativeert het gedrag van Van Praag door te stellen dat veel kooplieden inspelen op "a-sociale mogelijkheden of afkomst" bij hun aanprijzingen, en dat Van Praag daarin zeker niet de ergste is.
3. Hij waarschuwt dat een verbod op specifieke uitdrukkingen averechts zal werken; de koopman zal dan overgaan op "bedekte termen" (codetaal), wat door de geheimzinnigheid ervan schadelijker kan zijn voor de "moreele" sfeer op de markt.
4. Hij suggereert dat de klacht wellicht voortkomt uit afgunst of concurrentie, omdat Van Praag met zijn grote stand veel ruimte en tijd in beslag neemt. Het document dateert van maart 1940, slechts twee maanden voor de Duitse inval in Nederland. De naam "Van Praag" is een veelvoorkomende Joodse achternaam in Amsterdam, en de marktcultuur (zoals op het Waterlooplein of de Albert Cuyp) was een essentieel onderdeel van het sociale en economische leven voor de Joodse gemeenschap in die tijd.
Het document biedt een interessant inkijkje in de handhaving op de Amsterdamse markten vlak voor de oorlog. De marktmeester treedt hier op als een buffer tussen de klager en de koopman, waarbij hij kiest voor een gedoogbeleid gebaseerd op de dynamiek van de straathandel. De term "a-sociale mogelijkheden of afkomst" is kenmerkend voor het taalgebruik van die tijd, waarin de grens tussen vermaak, handel en sociale status scherp werd geobserveerd door de autoriteiten. H.F. de Vries