Officiële correspondentie (kopie/doorslag).
Origineel
Officiële correspondentie (kopie/doorslag). 11 december 1940. De Directeur (vermoedelijk van de Dienst van het Marktwezen, Amsterdam). [Handgeschreven rechtsboven:] M. de Waal
[Handgeschreven middenboven:] Verzonden 'm
[Getypt:]
den Heer I. Bonte Jr.,
Nieuwmarkt 12,
Amsterdam-Centrum.
Wyk 1.
31/59/2 M.
11 December 1940.
Naar aanleiding van Uw brief d.d. 20 November jl. verleen ik U hierby tot 1 Maart 1941 uitstel van Uw verplichting om Uw plaats op de markt Uilenburg regelmatig te bezetten, mits het ook tydens Uw afwezigheid verschuldigde marktgeld wekelyks aan den dienstdoenden marktambtenaar wordt betaald.
G.
De Directeur, Deze brief is een formeel antwoord van de directeur van het Amsterdamse marktwezen aan de heer I. Bonte Jr. De heer Bonte had op 20 november 1940 verzocht om vrijstelling van de plicht om zijn marktkraam persoonlijk te bemannen.
De directeur stemt hiermee in voor de periode tot 1 maart 1941. Er wordt echter een strikte voorwaarde gesteld: het wekelijkse marktgeld (stageld) moet gedurende zijn afwezigheid gewoon doorbetaald worden aan de dienstdoende marktambtenaar. De brief bevat ambtelijke details zoals het wijknummer ("Wyk 1") en een referentienummer, wat duidt op een strak gereguleerd administratief systeem. De handgeschreven aantekening "Verzonden" geeft aan dat dit een archiefkopie is van een verzonden stuk. Het document dateert van december 1940, zeven maanden na de Duitse inval in Nederland. Amsterdam bevond zich in het eerste jaar van de bezetting. De locatie die in de brief wordt genoemd, de Uilenburgermarkt, lag in het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam.
Veel marktkraamhouders op de Uilenburg en de Nieuwmarkt waren van Joodse afkomst. In deze periode van de oorlog begonnen de anti-Joodse maatregelen van de bezetter steeds voelbaarder te worden. Hoewel de brief een puur administratieve toon aanslaat, is de context van de toenemende restricties voor Joodse ondernemers en marktkooplui essentieel. Het verzoek om "uitstel van verplichting" om de plaats te bezetten zou te maken kunnen hebben met de onzekere situatie waarin Joodse Amsterdammers zich bevonden, hoewel de specifieke reden van de heer Bonte uit deze brief niet direct blijkt. De naam Bonte kwam veelvuldig voor binnen de Joodse gemeenschap van Amsterdam. Bonte had (De heer) G. Marktwezen