Dienstbrief/Oproeping van de gemeente Amsterdam.
Origineel
Dienstbrief/Oproeping van de gemeente Amsterdam. 22 juli 1940. De Directeur van het Marktwezen. De heer J. Matteman, Vrolikstraat 138, Amsterdam-Oost. [Logo Gemeente Amsterdam: drie Andreaskruisen geflankeerd door leeuwen]
MARKTWEZEN
AMSTERDAM HG.
[Handgeschreven tekst in de rechterbovenhoek:] Verzonden 22/7
TELEFOONNUMMER 85151 VERZOEKE BIJ BEANTWOORDING DATUM EN NUMMER TE VERMELDEN
No. 33/64/2 M.
BIJLAGE __
ONDERWERP: ______
AMSTERDAM (W.) 22 Juli 1940.
JAN VAN GALENSTRAAT 14
AAN
den Heer J. Matteman,
Vrolikstraat 138,
Amsterdam-Oost.
Wijk 20.
Op grond van het feit, dat U geen gevolg hebt gegeven aan de aan U gerichte schriftelijke waarschuwing om Uw plaats op de markt Westerstraat regelmatig te bezetten, behoort Uw marktplaats ingevolge artikel 11 van het Reglement op de Markten te worden ingetrokken.
Alvorens hiertoe te besluiten roep ik U op om op 24 Juli a.s. om 9 uur v.m. te komen bij den Inspecteur van mijn dienst, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam-West.
De Directeur,
[Onderaan het document:]
A.Z. MODEL NO. 8. 10.000-6-'38-1633. Dit document is een formele waarschuwing en een oproep voor een hoorzitting vanuit de gemeentelijke dienst Marktwezen in Amsterdam. De ontvanger, Jacob Matteman, wordt ervan beschuldigd zijn marktplaats op de Westerstraat niet regelmatig te hebben bezet, ondanks een eerdere waarschuwing. Volgens het vigerende marktreglement (artikel 11) is dit een grond voor het intrekken van de vergunning. De brief dient als een laatste kans voor de betrokkene om zijn zaak te bepleiten bij de inspecteur aan de Jan van Galenstraat (het adres van de Centrale Markthallen) voordat het definitieve besluit tot intrekking valt. De datum van de brief, 22 juli 1940, is saillant: de Duitse bezetting van Nederland was op dat moment ruim twee maanden oud. Hoewel de brief een louter administratieve indruk wekt, krijgt deze een diepere lading door de identiteit van de ontvanger. Jacob Matteman was een Joodse koopman (geboren in 1888).
Tijdens de bezetting werd de bewegingsvrijheid van Joodse marktkooplieden stapsgewijs ingeperkt door de bezetter, vaak uitgevoerd door Nederlandse gemeentelijke instanties. Het 'niet regelmatig bezetten' van een standplaats kon in deze periode diverse oorzaken hebben, variërend van persoonlijke omstandigheden tot de toenemende angst en onzekerheid onder de Joodse bevolking. In de loop van 1941 zouden Joodse kooplieden volledig van de reguliere markten worden geweerd en verbannen worden naar specifieke 'Joodse markten'. Jacob Matteman en zijn gezin zijn later in de oorlog gedeporteerd; hij werd in 1943 vermoord in Sobibor. Dergelijke administratieve documenten vormen vaak de eerste sporen van de bureaucratische uitsluiting die voorafging aan de fysieke vernietiging van de Joodse gemeenschap.