Handgeschreven ambtelijke notitie/advies.
Origineel
Handgeschreven ambtelijke notitie/advies. 29 oktober 1940. Een ambtenaar (mogelijk inspecteur of toezichthouder), handtekening lijkt op "P. Leeuwen". "Den Heer Inspecteur v.h. Marktwezen alhier" (Amsterdam). no 33/92/1 m 1940
pl no 230 Westerstraat.
Aan den Heer Inspecteur
vh Marktwezen.
alhier.
Het verzoek om uitstel van de Markt-
Westerstraat dient mij niet toegestaan
te worden. Dat Aaron niet van huis
weg kan lijkt mij onjuist.
meermalen heb ik Aaron op
de Jodenbreestraat zien loopen.
Ook hedenmorgen stond Aaron
met andere kooplieden op de Jodenbuurt
te praten. Ik adviseer U dan ook, hem
geen langer uitstel te verleenen.
29 - 10 - 40
[Handtekening, mogelijk P. Leeuwen] Dit document is een kort, zakelijk rapport waarin een ambtenaar negatief adviseert over een verzoek van een marktkoopman genaamd Aaron. Aaron had blijkbaar om uitstel gevraagd voor zijn verplichtingen op de markt in de Westerstraat, met als reden dat hij zijn huis niet kon verlaten.
De toon van het briefje is streng en controlerend. De schrijver beticht de aanvrager expliciet van onwaarheid door aan te geven dat hij Aaron meerdere malen heeft gezien op de Jodenbreestraat en in de Jodenbuurt, waar hij met andere kooplieden sprak. Op basis van deze observaties wordt de Inspecteur van het Marktwezen geadviseerd het uitstel te weigeren.
Het handschrift is een typisch Nederlands midden-20e-eeuws kantoorschrift, vlot geschreven maar goed leesbaar. De datum, 29 oktober 1940, plaatst dit document in de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De genoemde locaties (Westerstraat, Jodenbreestraat, Jodenbuurt) bevestigen dat dit zich in Amsterdam afspeelt.
Het document is historisch saillant vanwege de context van de beginnende Jodenvervolging. Hoewel het hier ogenschijnlijk gaat om een reguliere marktcontrole, is de focus op een persoon genaamd "Aaron" (een Joodse voornaam) in de "Jodenbuurt" veelzeggend. In deze periode werden Joodse Amsterdammers steeds nauwer geobserveerd en werden hun economische bewegingsvrijheden langzaam ingeperkt door zowel de bezetter als de collaborerende of strikt regelvolgende Nederlandse bureaucratie.
Dergelijke notities laten zien hoe de dagelijkse controle op Joodse burgers tot in de kleinste ambtelijke details (zoals marktvergunningen) werd uitgevoerd. Het "betrappen" van Aaron op straat terwijl hij beweerde niet van huis te kunnen, werd hier direct gebruikt om hem een zakelijk recht of faciliteit (het uitstel) te ontzeggen.