Archief 745
Inventaris 745-325
Pagina 101
Dossier 113
Jaar 1940
Stadsarchief

Officiële brief van de Gemeente Amsterdam (Dienst van het Marktwezen).

18 november 1940. Van: Directeur van het Marktwezen Amsterdam, Jan van Galenstraat 14. Aan: De heer J. van Os, Jodenbreestraat 11 I, Amsterdam-Centrum.

Origineel

Officiële brief van de Gemeente Amsterdam (Dienst van het Marktwezen). 18 november 1940. Directeur van het Marktwezen Amsterdam, Jan van Galenstraat 14. De heer J. van Os, Jodenbreestraat 11 I, Amsterdam-Centrum. (Briefhoofd met logo Amsterdamse drie kruisen)
MARKTWEZEN AMSTERDAM

TELEFOONNUMMER 85151
VERZOEKE BIJ BEANTWOORDING DATUM EN NUMMER TE VERMELDEN

No. 33/104/6 M
BIJLAGE _
ONDERWERP : _

(Handgeschreven in potlood: Verzonden 18/11)

AMSTERDAM (W.) 18 November 1940.
JAN VAN GALENSTRAAT 14

AAN
den Heer J. van Os,
Jodenbreestraat 11 I,
Amsterdam-Centrum.
Wyk 2.

Op grond van het feit, dat U geen gevolg hebt gegeven aan de aan U gerichte schriftelijke waarschuwing om Uw plaats op de markt Westerstraat regelmatig te bezetten, behoort Uw marktplaats ingevolge artikel 11 van het Reglement op de Markten te worden ingetrokken.

Alvorens hiertoe te besluiten roep ik U op om op 20 Nov. a.s. tusschen 9½ en 12 u. of op 22 Nov. om 9½ u. v.m. te komen bij den Inspecteur van mijn dienst, Jan van Galenstraat 14, Amsterdam-West.

De Directeur,

(Onderaan links in kleine druk: A.Z. MODEL NO. 8. 10.000-9-'39-526.) Deze brief is een formeel administratief schrijven van de Dienst van het Marktwezen in Amsterdam. De kern van de boodschap is een juridische aanzegging: de heer J. van Os dreigt zijn standplaats op de Westermarkt (de bekende maandagochtendmarkt in de Jordaan) te verliezen. De reden die wordt opgegeven is "verzuim": hij heeft zijn plaats niet regelmatig bezet, wat volgens artikel 11 van de toenmalige marktverordening grond is voor intrekking van de vergunning.

De brief is zakelijk en dwingend van toon. Er wordt echter nog wel een mogelijkheid tot hoor en wederhoor geboden ("Alvorens hiertoe te besluiten"), waarbij de ontvanger zich moet melden bij de inspectie aan de Jan van Galenstraat (het hoofdkantoor van het Marktwezen). De datum van de brief, 18 november 1940, is cruciaal voor de historische duiding. Nederland is op dat moment zes maanden bezet door nazi-Duitsland. Hoewel de brief op het eerste gezicht een gewone gemeentelijke procedure lijkt, krijgt hij een sinistere lading door de context van de Jodenvervolging.

  1. Locatie: De ontvanger woont in de Jodenbreestraat, het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam. Het is zeer waarschijnlijk dat de heer Van Os een Joodse marktkoopman was.
  2. Uitsluiting: Vanaf het najaar van 1940 begonnen de bezetter en collaborerende instanties met het systematisch beperken van de bewegingsvrijheid en economische mogelijkheden van Joden. Joodse marktkooplieden kregen te maken met pesterijen, verboden of werden simpelweg door de omstandigheden (angst, restricties) gedwongen hun nering te staken.
  3. Bureaucratie als wapen: De administratieve regelgeving ("artikel 11") werd in deze periode vaak strikt of selectief toegepast om Joodse burgers uit het economische leven te weren. Het niet kunnen bezetten van een kraam was vaak geen onwil, maar een direct gevolg van de bezettingsmaatregelen. Documenten als deze vormen de papieren neerslag van het proces van onteigening en uitsluiting dat voorafging aan de latere deportaties.

Samenvatting

Deze brief is een formeel administratief schrijven van de Dienst van het Marktwezen in Amsterdam. De kern van de boodschap is een juridische aanzegging: de heer J. van Os dreigt zijn standplaats op de Westermarkt (de bekende maandagochtendmarkt in de Jordaan) te verliezen. De reden die wordt opgegeven is "verzuim": hij heeft zijn plaats niet regelmatig bezet, wat volgens artikel 11 van de toenmalige marktverordening grond is voor intrekking van de vergunning.

De brief is zakelijk en dwingend van toon. Er wordt echter nog wel een mogelijkheid tot hoor en wederhoor geboden ("Alvorens hiertoe te besluiten"), waarbij de ontvanger zich moet melden bij de inspectie aan de Jan van Galenstraat (het hoofdkantoor van het Marktwezen).

Historische Context

De datum van de brief, 18 november 1940, is cruciaal voor de historische duiding. Nederland is op dat moment zes maanden bezet door nazi-Duitsland. Hoewel de brief op het eerste gezicht een gewone gemeentelijke procedure lijkt, krijgt hij een sinistere lading door de context van de Jodenvervolging.

  1. Locatie: De ontvanger woont in de Jodenbreestraat, het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam. Het is zeer waarschijnlijk dat de heer Van Os een Joodse marktkoopman was.
  2. Uitsluiting: Vanaf het najaar van 1940 begonnen de bezetter en collaborerende instanties met het systematisch beperken van de bewegingsvrijheid en economische mogelijkheden van Joden. Joodse marktkooplieden kregen te maken met pesterijen, verboden of werden simpelweg door de omstandigheden (angst, restricties) gedwongen hun nering te staken.
  3. Bureaucratie als wapen: De administratieve regelgeving ("artikel 11") werd in deze periode vaak strikt of selectief toegepast om Joodse burgers uit het economische leven te weren. Het niet kunnen bezetten van een kraam was vaak geen onwil, maar een direct gevolg van de bezettingsmaatregelen. Documenten als deze vormen de papieren neerslag van het proces van onteigening en uitsluiting dat voorafging aan de latere deportaties.

Locaties

De ontvanger woont in de Jodenbreestraat het hart van de oude Joodse buurt van Amsterdam. Het is zeer waarschijnlijk dat de heer Van Os een Joodse marktkoopman was.

Gerelateerde Documenten 6