Ambtsbrief / Circulaire met afschrift van ministeriële beslissing.
Origineel
Ambtsbrief / Circulaire met afschrift van ministeriële beslissing. 26 juni 1939 (Amsterdam) / 8 juli 1939 ('s-Gravenhage). [Stempel linksboven:] No 412 L.M. 1939 No 813/10/2
[Stempel rechtsboven:] M. 1939
[Handgeschreven aantekeningen links:] Markhv. / h.v. d. B. / [onleesbaar]
No. 907 a P.B.
Amsterdam, 26 Juni 1939.
Ten vervolge op mijn circulaire dd. 19 Mei l.l., No. 907 P.B., in zake verhaal van pensioensbijdragen ten aanzien van ambtenaren en werklieden der Gemeente, die opgeroepen zijn om militairen dienst te verrichten, bedoeld bij de artikelen 39(1) en 43(1) van het Ambtenaren- respectievelijk Werkliedenreglement, doe ik U hieronder toekomen afschrift van het antwoord van den Minister van Binnenlandsche Zaken op het door Burgemeester en Wethouders gezonden schrijven, waarvan in genoemde circulaire sprake is.
MINISTERIE VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN.
Bericht op schrijven van NR. 1458 AFD. P. en W.
30 Mei 1939, No. 907 a P.B.
Betreffende
art. 19 Alg. Rijksambtenarenreglement.
's-Gravenhage, 8 Juli 1939.
Onder aanvulling, voorzooter noodig, van mijn schrijven dd. 25 April 1939, No. 40440, afdeeling Ambtenarenzaken, heb ik de eer U mede te deelen, dat onder "aan zijn ambt verbonden bezoldiging" en "zijn militaire belooning" in artikel 19 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt verstaan de "netto" bezoldiging en de "netto" militaire belooning. Als gevolg daarvan blijven de te verhalen pensioensbijdragen in de kas van het overheidsorgaan, wanneer de militaire belooning met de burgerlijke bezoldiging wordt verrekend. Artikel 4 van het Koninklijk besluit dd. 28 November 1922 (Stbl. 638) heeft dus geen betrekking op gevallen als de onderhavige.
Uwe opvatting, dat de ambtenaren, die in militairen dienst zijn opgeroepen, en de overheidsorganen, in wier dienst de ambtenaren zijn, gedurende den duur van dien militairen tijd, van verhaal van pensioensbijdragen resp. van betaling dier bijdragen dienen te worden vrijgesteld, omdat tijd in verplichten militairen dienst doorgebracht als voor pensioen geldigen diensttijd wordt beschouwd, acht ik niet juist. Het stelsel der wet is, dat voor de gezamenlijke ambtenaren op gelijken voet wordt bijgedragen, zonder dat rekening wordt gehouden met individueele bijzonderheden, zooals b.v. bij opkomst onder de wapenen wegens herhalingsoefeningen en bij verlof. In verband met Uw verwijzing naar den brief van den Minister van Financiën van 3 Mei 1916, No. 82, afd. Pensioenen merk ik op, dat een bepaling als artikel 67 van de Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren-1913 in de Pensioenwet-1922 ontbreekt en ook niet in het systeem van laatstgenoemde wet zou passen.
Wat betreft het verhaal dier bijdrage op den ambtenaar gedurende evengenoemden militairen tijd, teeken ik aan, dat dit verhaal volgens de algemeen heerschende opinie een salariskwestie is waarmede geen beginsel van pensioenrecht gemoeid is.
DE MINISTER VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN,
Voor den Minister,
De Secretaris-Generaal,
w.g. L.L. Franx
l.S.G.
Aan
Heeren Burgemeester en Wethouders
van AMSTERDAM.
Ik verzoek U ook het vorenstaande onder de aandacht van de hoofden der onder U ressorteerende takken van dienst te willen brengen.
De Wethouder voor de Pensioenen,
[Handtekening] Kropman.
Aan
den Heer Wethouder
voor [onleesbaar/open]
--- * Kernboodschap: De Minister van Binnenlandse Zaken wijst het verzoek van de gemeente Amsterdam af om ambtenaren in militaire dienst vrij te stellen van pensioenafdrachten. Hij verduidelijkt dat berekeningen moeten uitgaan van het "netto" loon en dat militaire diensttijd gewoon als pensioengerechtigde tijd telt, waardoor de bijdrageplicht blijft bestaan.
* Juridische basis: Er wordt verwezen naar artikel 19 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Koninklijk Besluit van 28 november 1922 en de Pensioenwet 1922. De Minister stelt expliciet dat het pensioensysteem gebaseerd is op solidariteit ("gezamenlijke ambtenaren op gelijken voet"), ongeacht individuele omstandigheden zoals militaire oproeping.
* Administratieve route: Het document is een keten van communicatie. Amsterdam vraagt om verduidelijking (30 mei), de Minister antwoordt (8 juli), en de Wethouder voor Pensioenen (Kropman) verspreidt dit besluit vervolgens binnen de gemeentelijke diensten.
* Opmerkelijke details: De handtekening onderaan is van wethouder Kropman. De datum bovenaan (26 juni) lijkt te conflicteren met de datum in de brief van de minister (8 juli), wat erop wijst dat het document een verzamelblad is of dat de stempel "26 juni" de datum van de oorspronkelijke Amsterdamse uitgaande brief markeert waarop later het antwoord is getypt/geplakt.
--- Dit document stamt uit de zomer van 1939, een uiterst kritieke periode in de Nederlandse geschiedenis. In de maanden voorafgaand aan de Duitse inval in Polen (1 september 1939) en de daaropvolgende algehele mobilisatie van het Nederlandse leger, werden steeds meer ambtenaren en burgers opgeroepen voor militaire herhalingsoefeningen of grensbewaking.
De kwestie van de "pensioengat-preventie" en de doorbetaling van loon tijdens mobilisatie was een groot administratief vraagstuk. De overheid wilde enerzijds de ambtenaren die hun vaderland dienden niet financieel duperen, maar hield anderzijds vast aan de strikte uitvoering van de Pensioenwet 1922 om de kas van het pensioenfonds stabiel te houden. Dit document illustreert de bureaucratische voorbereidingen op de naderende oorlogssituatie, waarbij de overheid probeerde de financiële rechtspositie van gemobiliseerde werknemers vast te leggen.