Deze brief is een formeel schrijven van een notariskantoor aan een hoge functionaris binnen het Amsterdamse gemeentebestuur. De brief is opgesteld in de uiterst beleefde, enigszins archaïsche stijl die kenmerkend was voor juridische correspondentie in de eerste helft van de 20e eeuw. Termen als "WelEdelGestrenge" (een titulatuur voor meesters in de rechten) en de afsluiting "Uw.dw." (Uw dienstwillige) getuigen hiervan. De inhoud betreft het toesturen van conceptstatuten voor drie op te richten stichtingen. Opvallend is dat deze concepten ook aan de Procureur-Generaal zijn gezonden. Dit wijst erop dat de oprichting van deze stichtingen mogelijk een publiek belang diende of onder specifiek overheidstoezicht stond. De handgeschreven krabbels rechtsboven lijken administratieve aantekeningen voor de interne verwerking bij de afdeling Marktwezen.
De datum van de brief, 2 juli 1940, plaatst het document in de beginperiode van de Duitse bezetting van Nederland (slechts zeven weken na de capitulatie). Hoewel het openbare leven en de bureaucreatie in deze fase nog grotendeels op de oude voet doorgingen, vonden er achter de schermen grote verschuivingen plaats. De ontvanger, Mr. Arnold van Praag, was een prominent Joods ambtenaar en secretaris van het Marktwezen in Amsterdam. Zijn positie was van vitaal belang voor de voedselvoorziening in de stad. Vanwege zijn achtergrond zou hij niet lang na deze brief, in het najaar van 1940, door de bezetter uit zijn functie worden ontheven als gevolg van de anti-Joodse maatregelen (de ariërverklaring). Arnold van Praag overleefde de oorlog niet; hij stierf in maart 1945 in concentratiekamp Bergen-Belsen. De "drie stichtingen" waarover gesproken wordt, hebben mogelijk te maken met de reorganisatie van marktbelangen of de juridische bescherming van bepaalde fondsen in het licht van de veranderende politieke omstandigheden. De notaris, Dr. Mr. K.L. Piccardt, was een bekende figuur in de Amsterdamse juridische wereld van die tijd.