Handgeschreven begrotingsnota of financiële berekening.
Origineel
Handgeschreven begrotingsnota of financiële berekening. [Marge linksboven:]
chauffeurs in II of III?
[Hoofdtekst:]
het personeel is ingedeeld in loongroep I
waarvan het min. en max. loon resp.
f 23.04 en f 26.88 per week bedraagt.
Hierbij komen nog de sociale lasten, welke
volgens het verslag van Arbeidszaken rond 9 cents
per uur bedragen.
Ik neem aan dat de aan te stellen 5 personen
alleen op het maximum staan, dan kosten zij aan
loon per week:
5 x f 26.88 + 5 x f 4.32 = f 156,- per week
= per jaar 52 x f 156,- = f 8112,-
10% premie # op het loon = 811,20
Totaal loon f 8923,20.
Voor het betrekken van hulpkrachten
uit de arbeidsreserve in zeer
drukke uren bij sneeuwval f 2000,-
afvoer van mestvuil bedrag – 1929
12000 m³ à f 0.50 = f 6000,-
Aan ~~gereedschappen~~ materialen is per jaar nodig:
1500 bezems à f 0.10 = f 150,-
5 schoppen à f 2,- = " 10,-
5 grepen à f 5,- = " 25,-
putschep, drijfvuilnetten enz. . 100,-
10.000 kg zout . 300,-
zand . 200,-
Totaal f 785,- f 785,- * Personeelskosten: Er wordt gerekend met een 48-urige werkweek (48 uur x f 0,09 sociale lasten = f 4,32 per persoon per week). De berekening gaat uit van het maximumloon in loongroep I. Er is een onzekerheid genoteerd in de marge over de schaalindeling van chauffeurs (groep II of III), die waarschijnlijk duurder zouden uitvallen.
* Sociale Voorzieningen: Naast het brutoloon wordt er 10% extra gerekend voor "premies", wat destijds een gebruikelijke reservering was voor verzekeringen of pensioenen.
* Operationele Variabelen: De post voor hulpkrachten bij sneeuwval toont aan dat dit een begroting is voor taken in de openbare ruimte. De post "arbeidsreserve" verwijst naar de inzet van werklozen of tijdelijke krachten, een kenmerkend aspect van de arbeidsmarkt in het interbellum.
* Materieel: De lijst met materialen (bezems, schoppen, grepen, putscheppen, zout en zand) bevestigt dat het hier gaat om straatreiniging en gladheidsbestrijding. Opvallend is de grote hoeveelheid bezems (1500 stuks) tegenover een kleine vaste kern van 5 man personeel, wat duidt op een hoge slijtage of inzet van veel extra (handmatige) hulpkrachten. Dit document biedt een inkijkje in de gemeentelijke huishouding van een Nederlandse stad aan de vooravond van de Grote Depressie. De bedragen zijn in guldens (f). De referentie naar de "afvoer van mestvuil" uit 1929 suggereert dat het document kort daarna is opgesteld (ca. 1930). Mestvuil was in die tijd nog een substantiële afvalstroom door het gebruik van paarden voor transport in de stad. De genoemde bedragen en de nauwkeurige berekening per uur wijzen op een strikt budgettair beheer door de betreffende ambtenaar of archivaris.