Archiefdocument
Origineel
20 juni 1940 Onbekend (waarschijnlijk een ambtenaar van de sector voedselvoorziening) Marginale aantekening:
Bet. Toestand visscherij en vischhandel.
A’dam 20 Juni ’40.
Den Heer Wethouder voor de Lev.
Alhier
Ingevolge Uwe opdracht heb ik de eer U omtrent den huidigen stand der visscherij en den toestand van den Amsterdamschen vischhandel het volgende te rapporteeren.
Blijkens bij de Directie der Nederlandsche Visscherijcentrale te ’s-Gravenhage ingewonnen inlichtingen staat het Nederlandsche visscherijbedrijf er zeer slecht voor en zijn de vooruitzichten voorloopig zeer ongunstig.
Behalve de binnenvisscherij (snoekbaars uit het IJselmeer; aal en verschillende soorten riviervisch, zooals snoek, baars, zeelt, voorn, blei, uit binnenwateren) wordt welhaast geen visscherij beoefend. De visscherij op de Noordzee en in de Waddenzee ligt bijkans geheel stil.
De groote visschersvloot in IJmuiden ligt stil, ook de groote haringvloot in Vlaardingen mogen niet uitvaren, ook de kleinere vloten van Katwijk, en Urk en den Helder, die kustvisscherij beoefenen, varen niet. Slechts voor Scheveningen wordt door een klein aantal kustbootjes een beetje visscherij beoefend. Kans op verbetering, dus op meerderen aanvoer, is zeer gering, immers vanuit de havens in IJmuiden en den Helder mag beslist niet gevist worden. Eenige vermeerdering van beteekenis van de visscherij voor Scheveningen is voorshands niet te verwachten, zoodat zelfs een distributie van de geringe hoeveelheden Noordzeevisch geen zin heeft.
Ook de garnalenvisscherij vanuit IJmuiden en den Helder, waarop Amsterdam is aangewezen, is verboden.
De Visscherijcentrale doet voortdurend moeite om eenige visscherij, bijv. in de Waddenzee, mogelijk te maken, maar De kern van de brief is de totale verlamming van de Nederlandse zeevisserij in de eerste weken van de Duitse bezetting. De schrijver schetst een somber beeld:
1. Stilvallen van de vloot: De grote vloot in IJmuiden en de haringvloot in Vlaardingen liggen volledig stil. Dit heeft direct gevolgen voor de voedselvoorziening in grote steden zoals Amsterdam.
2. Verbodsbepalingen: Er wordt expliciet vermeld dat er vanuit strategische havens zoals IJmuiden en Den Helder "beslist niet gevist" mag worden. Dit wijst op restricties die door de Duitse bezetter zijn opgelegd, waarschijnlijk uit angst voor spionage of vluchtpogingen naar Engeland.
3. Distributieproblemen: De aanvoer van vis is zo minimaal dat het opzetten van een officieel distributiesysteem (rantsoenering) voor Noordzeevis op dat moment als zinloos wordt beschouwd.
4. Alternatieven: Alleen de binnenvisserij (zoetwatervis) functioneert nog enigszins, maar dit is onvoldoende om de tekorten van de zeevisserij op te vangen. Dit document is geschreven op 20 juni 1940, ruim een maand na de capitulatie van Nederland. De Noordzee was op dat moment een frontgebied; de strijd tussen de Duitse Kriegsmarine en de Britse Royal Navy maakte de visserij levensgevaarlijk. Bovendien vreesden de Duitsers dat vissersschepen zouden oversteken naar Engeland.
De genoemde Nederlandsche Visscherijcentrale was een overheidsorgaan dat al vóór de oorlog (in het kader van de Landbouwcrisiswet) was opgericht, maar tijdens de bezetting een cruciale rol kreeg in het reguleren van de schaarse visvoorraad. De brief illustreert de beginfase van de schaarste die de rest van de oorlogsjaren zou kenmerken, waarbij de Nederlandse bevolking steeds meer afhankelijk werd van surrogaatproducten en strikte rantsoenering.