Ambtelijke brief/memorandum (doorslag).
Origineel
Ambtelijke brief/memorandum (doorslag). 3 juli 1940. De Directeur (vermoedelijk van een Amsterdamse gemeentelijke dienst, zoals Sociale Zaken of Handelsinlichtingen). Den Heer Wethouder voor de Levensmiddelen te Amsterdam. VD/HG. Extra
46A/25/2 M.
n 2 3 Juli 1940.
Aanwijzing organisaties,
als bedoeld in art.15 van den Heer Wethouder
het K.B. van 18 Dec.1935 voor de Levensmiddelen,
Stbl.no.475. A l h i e r .
Onder terugzending van de met Uw kantbrief d.d.
20 Juni jl. om advies ontvangen stukken no.583 L.M.1940 heb
ik de eer U te berichten, dat ik mij kan vereenigen met het
zich onder deze stukken bevindende rapport van het Hoofd der
Hulpsecretarie ten Noorden het IJ d.d. 11 Juni jl. Afd.H.S.Y.
No.34/1. Ook mijnerzijds bestaat derhalve geen bezwaar, dat
de vereeniging "Nederlandsche Bond van Kleinhandelaren in het
Visch- en Haringbedrijf", Secretaris L.Presser, Retiefstraat
82, Amsterdam-O., wordt opgenomen in de Plaatselijke Commis-
sie Zuiderzeesteunwet.
De Directeur, * **Administratieve context:** Het betreft een adviesvraag van de Wethouder voor de Levensmiddelen aan een directeur van een gemeentelijke dienst. Het gaat om de formele erkenning van een beroepsorganisatie binnen het kader van de Zuiderzeesteunwet.
- Juridische grondslag: Er wordt verwezen naar artikel 15 van het Koninklijk Besluit (K.B.) van 18 december 1935 (Staatsblad no. 475), dat de uitvoering van steunmaatregelen voor gedupeerden van de afsluiting van de Zuiderzee regelt.
- Betrokken partij: De "Nederlandsche Bond van Kleinhandelaren in het Visch- en Haringbedrijf". De genoemde secretaris, L. Presser (Leman Presser), was een bekende figuur in de Amsterdamse Joodse gemeenschap en de vakbeweging. Zijn adres (Retiefstraat 82) ligt in de Transvaalbuurt.
- Geografie: De verwijzing naar de "Hulpsecretarie ten Noorden het IJ" duidt op de specifieke belangen van de visserijsector in Amsterdam-Noord. Dit document is gedateerd op 3 juli 1940, slechts zeven weken na de Nederlandse capitulatie aan nazi-Duitsland. Hoewel de bezetting is begonnen, draait de civiele administratie van de gemeente Amsterdam op dat moment nog grotendeels door volgens de bestaande Nederlandse wetgeving en procedures.
De Zuiderzeesteunwet was van cruciaal belang voor Amsterdamse vishandelaren. Door de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 was de zoute Zuiderzee veranderd in het zoete IJsselmeer, wat de visserij op haring en ansjovis de das omdeed. De wet bood financiële compensatie of omscholing aan hen die hierdoor hun inkomsten verloren. Het feit dat de bond van kleinhandelaren (de winkeliers en marktlui) toegang zocht tot de commissie, toont aan dat de economische nasleep van de afsluiting in 1940 nog steeds actueel was.
De vermelding van L. Presser is historisch wrang; als Joodse vakbondsbestuurder zou hij al snel na deze brief te maken krijgen met de uitsluitingsmaatregelen van de bezetter.