Getypte brief of ambtelijk memorandum (pagina 1).
Origineel
Getypte brief of ambtelijk memorandum (pagina 1). 21 maart (jaartal niet vermeld, maar de context duidt op de Eerste Wereldoorlog, ca. 1917). Waarschijnlijk de Burgemeester of een wethouder van Amsterdam. 1 21 Maart x 40
47/1/2 den Heer Voorzitter van den
Amsterdam. Levensmiddelenraad,
thans de Urker visschers, die in de vorstperiode niet hebben
gevaren, weer visschen, hetgeen speciaal voor Amsterdam van
belang is.
Terwijl dus de aanvoer te IJmuiden in plaats van
"zeer gering", thans voldoende is te achten, veronderstelt de
Commissie ten onrechte, dat de Regeering nog extra-consenten
voor den import van buitenlandsche visch zou verleenen. Dit
berust op een misvatting, daar de contingenteering voor den
invoer van visch is opgehouden. Weliswaar is het invoer-mono-
polie van de Nederlandsche Visscherij Centrale blijven bestaan,
doch deze staat thans den import toe aan elken vroegeren
consenthouder, zonder dat deze aan contingenten gebonden is;
bovendien - en dit acht ik vrij belangrijk - heeft de Centrale
mij toegezegd, dat zij den import ook zal toestaan aan Amster-
damsche grossiers, die vroeger geen consent hadden, indien ik
dat voor die grossiers verzoek; (op import in basisjaren wordt
dus niet meer gelet). Van zelf sprekend behoudt de Centrale,
die het monopolie van den invoer heeft, zich voor om den import
niet toe te staan, indien daardoor de prijzen van de Neder-
landsche visch zouden worden gedrukt. De Centrale staat name-
lijk - mijns inziens volkomen terecht - op het standpunt, dat
de visch, die met levensgevaar wordt gevangen, een goeden prijs
moet opbrengen: voor goedkoope visch is het thans de tijd niet.
In dit verband vergete men niet, dat de Regeering de visscherij,
door overneming van het molest-risico, met belangrijke bedragen
steunt.
De juistheid van de mededeeling in het onderhavige
rapport der Commissie, dat veel winkeliers "gedwongen zijn,
of binnenkort zullen zijn, hun bedrijf te staken", is mij voor-
alsnog niet gebleken. Bij navraag kon men mij geen enkelen
Amsterdamschen winkelier noemen, die zijn bedrijf zou hebben
gestaakt, weshalve ik aanneem, dat ten deze niet van een "nood-
toestand" kan worden gesproken.
Wat het verzoek der Commissie betreft, dat de
Gemeente zelf visch zou gaan koopen op de binnen- en buiten-
landsche markt merk ik allereerst op, dat de hierboven beschre-
ven omstandigheden een dergelijken maatregel geenszins wettigen: * Inhoud: Het document is een reactie op een rapport van een niet nader genoemde "Commissie". De schrijver weerlegt de bewering dat er een noodtoestand heerst in de Amsterdamse vishandel. Hij stelt dat de aanvoer vanuit IJmuiden weer op gang is gekomen na een vorstperiode en legt de werking van het importbeleid uit.
* Economische bescherming: Er is een duidelijke spanning tussen de wens voor goedkope vis voor de consument en de noodzaak voor een "goede prijs" voor de vissers. De schrijver steunt de Nederlandsche Visscherij Centrale in haar streven de prijzen niet te laten kelderen door ongebreidelde import, omdat vissers hun werk "met levensgevaar" verrichten.
* Beleid: De contingentering (beperking van hoeveelheden) is opgeheven, maar het invoermonopolie blijft bij de Centrale. Er wordt flexibiliteit getoond richting Amsterdamse grossiers. Tevens wordt het idee dat de gemeente zelf als inkoper op de markt moet treden (gemeentelijke bemoeienis) resoluut afgewezen. Dit document stamt uit de periode van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Hoewel Nederland neutraal was, had de oorlog grote gevolgen voor de voedselvoorziening en de visserij.
* Nederlandsche Visscherij Centrale (NVC): Opgericht in 1916 om de export en import van vis te reguleren en te voorkomen dat alle vis naar Duitsland of Engeland verdween, terwijl de eigen bevolking honger leed.
* Molest-risico: Dit verwijst naar het gevaar van zeemijnen en aanvallen door onderzeeërs. De Nederlandse regering nam dit risico over (een vorm van staatsverzekering) om de vissersvloot in de vaart te houden.
* Schaarste en distributie: De brief weerspiegelt de bureaucratische strijd om voedselvoorziening in een tijd van distributie en schaarste, waarbij lokale commissies vaak aandrongen op drastische maatregelen die door het centrale of stedelijke bestuur werden getemperd.