Handgeschreven concept-rapport of ambtelijke nota betreffende invordering en verjaring van markt- en standplaatsgelden.
Origineel
Handgeschreven concept-rapport of ambtelijke nota betreffende invordering en verjaring van markt- en standplaatsgelden. [Pagina 1a]
Op de wettelijke verjaringsclausule is mijnerzijds voor het eerst de aandacht gevestigd in mijn rapport d.d. 27-6-34, No 18/126 M 1934, naar aanleiding van een [doorgestreept: door Uwen ambtvoorganger] mij [doorgestreept: om advies] gezonden nota van den Commies llnes, Afd. Levensmiddelen d.d. 13 Juni 1934, No 611 Pull. 1934. In deze nota werd geadviseerd: bij het in werking treden der Verordening op 1 Sept. 1934 geen [doorgestreept: nieuwe] vergunningen af te geven aan personen, die nog [doorgestreept: op een of] standplaatsgeld verschuldigd waren wegens [doorgestreept: wanbetaling op] inmiddels ingetrokken standplaatsvergunningen. Ik vereenigde mij met deze opvatting, onder mededeeling, dat zij alleen kon worden gevolgd ten aanzien van schulden, [doorgestreept: die op 1 Sept. 1934] [tussenvoeging: waren] [doorgestreept: nog niet] korter dan drie jaren; zulks uitvloeisel het bepaalde in art. 275 Gemeentewet. [doorgestreept: Doch laat ik] Ik voegde daaraan nog toe: Ten deze ware nog het advies in te winnen van den Directeur der Gemeentebelastingen. Ik deed zulks, omdat het theoretisch gesproken, natuurlijk mogelijk is, om middels vervolging [doorgestreept: de] de wettelijke invorderbaarheid der schulden te verlengen. Uiteraard zou zulks voor dergelijke [doorgestreept: kleine] geringe en dubieuze vorderingen al heel weinig zin hebben, de daaraan verbonden [tussenvoeging: houdende] [doorgestreept: moeite] kosten en moeite niet loonen. Blijkbaar [doorgestreept: deelde] deelde Uw ambtvoorganger deze opvatting; ik heb [doorgestreept: er] althans niet vernomen, dat mijn [doorgestreept: advies] [tussenvoeging: zienswijze] [doorgestreept: niet] mocht worden gevolgd (vergelijk [teken kruisje]).
[Kantlijnnotitie links:]
[teken kruisje] verjaringstermijn te “stuiten” en daardoor de [pijl naar beneden naar:] de verjarings-termijn te “stuiten” en daardoor de
[Groot doorgehaald tekstblok:]
[doorgestreept: Sedertdien is de verjaringsclausule voor belastinggeschulden bij mijn [onleesbaar] het eerst op groote schaal, omstreeks September 1936 en wel voor verjaarde schulden van marktgelden (van de dag- en weekmarkten) en standplaatsgeld. Dit geschiedde onder de aanbieding van het volgende feit. In het zgn. “oude schulden boek” (enz. zie blz. 4)]
[Onderste gedeelte:]
[teken kruisje] zie in dit verband het Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 3 Mei 1935, No 522 Pull. 1935, waarbij op mijn voorstel om tegen een nalatigen “huurder” van de Centrale Markt, wegens een schuld van f 33.34, gerechtelijk op te treden, niet werd ingegaan [doorgestreept: met toepassing der wettelijke verjaringsclausule voor belastinggeschulden] (z.o.z.) * Kern van het document: De schrijver (waarschijnlijk een gemeentelijk ambtenaar of jurist) verantwoordt zijn eerdere adviezen met betrekking tot het toepassen van de wettelijke verjaringstermijn op openstaande schulden aan de gemeente (met name standplaats- en marktgelden).
* Juridische context: Er wordt specifiek verwezen naar Artikel 275 van de Gemeentewet. De discussie draait om het "stuiten" van de verjaring: het ondernemen van juridische stappen om de verjaringstermijn te stuiten (verlengen), wat de schrijver voor kleine bedragen afraadt vanwege de kosten-batenverhouding.
* Bestuurlijke besluitvorming: Het document toont een spanningsveld tussen de noodzaak om vergunningen te weigeren aan wanbetalers en de juridische beperking van verjaarde schulden. De schrijver wijst op een precedent uit 1935 waarbij B&W besloten niet tot vervolging over te gaan voor een relatief klein bedrag (f 33.34).
* Staat van het document: Het betreft een werkdocument met veel correcties. De grote doorhaling in het midden suggereert dat de schrijver besloot een specifiek historisch overzicht van 1936 naar een later stadium in het rapport (bladzijde 4) te verplaatsen of geheel te herzien. Dit document stamt uit de jaren '30, een periode van economische crisis waarin gemeenten scherper moesten toezien op hun inkomsten, maar tegelijkertijd geconfronteerd werden met burgers die hun marktgelden niet konden betalen. De genoemde "Centrale Markt" en de terminologie ("Pull.", mogelijk een verwijzing naar een archief- of registratiesysteem) duiden op een grotere Nederlandse gemeente, mogelijk Amsterdam of Rotterdam. Het document geeft inzicht in de zorgvuldige, bureaucratische afwegingen tussen strikte wetshandhaving en pragmatisch financieel beheer in de vroege 20e eeuw.