Handgeschreven conceptverslag of ambtelijke nota.
Origineel
Handgeschreven conceptverslag of ambtelijke nota. (Pagina-indicatie rechtsboven: 3)
Op grond van al deze overwegingen meende ik ~~een besluit~~ tot afschrijving van de meeste der oude schulden te moeten overgaan. ~~Zoodoende werd de aandacht meer op de oude schulden gevestigd ~~werd geschonken, door deze afschrijving~~. Hierdoor werd het tevens mogelijk om in de enkele gevallen dat een ~~oude~~ schuldenaar zich ^voor een nieuwe plaats^ aanmeldde, het dezen niet al te moeilijk te maken, waardoor althans een sociale voordeel werd bereikt, dat menschen geholpen konden worden, ~~en~~ niet zelden „uitstooten”.
^Bij^ de ^afschrijving^ ~~Voor de afschrijving~~ ~~kwamen natuurlijk bij~~ ^kwamen^ de ~~wettelijke~~ verjaarde schulden in aanmerking. ^Immers Art. 295^ ~~Ingevolge~~ het middel binnen ~~van~~ van de Gemeentewet, ~~dat voorschrijft~~ ^luidt^:
„De plaatselijke belasting, die niet binnen 3 jaar, te rekenen van het tijdstip waarop zij verschuldigd, of waarop de laatste acte van vervolging beteekend was, werd ingevorderd, is verjaard.”
~~Voor de goede orde merk ik hierbij op, dat aan de~~ ^Tevens was^ ^de^ mogelijkheid om middels „vervolging” ^de invorderbaarheid der^ ^schuld^ te verlengen, in ~~elk~~ het onderhavige geval niet behoefde te worden gedacht. Immers het betrof hier niet anders dan ~~geen~~ zeer geringe bedragen, die van ^feitelijke^ meerendeels ~~geen~~ ^zelf^ niet „reële” schuld wegens het bezetten van een plaats, doch hoofdzakelijk „administratieve” schuld, waarbij van de betreffende plaats geen gebruik ~~meer~~ was gemaakt. De kosten van vervolging zouden de moeite niet loonen. Het lag stellig ook niet in de bedoeling van Burgemeester en Wethouders om tot dergelijke rigoureuze maatregelen ten opzichte van straatkooplieden over te gaan. ^ik verwijs^ in dit verband ^naar^ het Besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 3 Mei 1935, No. 522 R.M. 1935, waarbij op mijn voorstel om tegen een nalatigen „huurder” aan de Centrale Markt, wegens een schuld van f 33.34, gerechtelijke stappen te treden, ~~niet werd ingegaan~~.
Zóó werd ^in 1936^ het „oude-schulden-boek” vervangen door een nieuwe ~~vorm~~ ^vorm^ van administratie, waarbij op de persoonlijke „slips” slechts werden overgenomen de schulden aan marktgeld en standplaatsgeld die niet ouder waren dan 3 jaar. Zooals U bekend is, werden sedertdien de maatregelen tot intrekking van marktplaatsen en standplaatsen wegens wanbetaling ~~zeer~~ belangrijke verscherpt. Vooral voor de... Het document is een belangrijk administratief overgangsstuk. Het beschrijft de verschuiving van een verouderd systeem (het "oude-schulden-boek") naar een moderne administratie met "persoonlijke slips".
De kern van het betoog is dat het invorderen van zeer oude, kleine schulden (vaak ontstaan door administratieve lasten in plaats van feitelijk gebruik van een marktplaats) niet kosteneffectief en sociaal onwenselijk is. De schrijver beroept zich op Artikel 295 van de Gemeentewet om te rechtvaardigen dat schulden ouder dan drie jaar als verjaard worden beschouwd. Tegelijkertijd wordt opgemerkt dat het beleid voor actieve wanbetalers juist is aangescherpt. Het handschrift is vlot en geoefend, passend bij een hogere ambtenaar of marktmeester uit die periode. De tekst verwijst naar de Centrale Markt (waarschijnlijk de Centrale Markthallen in Amsterdam, geopend in 1934 aan de Jan van Galenstraat). De periode 1935-1936 was een tijd van grote economische uitdagingen (de Grote Depressie), wat verklaart waarom veel straatkooplieden schulden hadden opgebouwd die zij feitelijk niet konden voldoen.
De genoemde "R.M. 1935" verwijst naar een Raadsmededeling. De overgang van boeken naar een kaartsysteem of "slips" was een kenmerkende administratieve modernisering in de jaren '30 om de efficiëntie binnen gemeentelijke diensten te verhogen. De sociale toon ("menschen geholpen konden worden") duidt op een zekere mate van pragmatische coulance die noodzakelijk was om de marktsector in crisistijd draaiende te houden.