Archiefdocument
Origineel
-5-
afgewezen, omdat deze aanvrage te laat was ingediend.
Adressant heeft verklaard, dat hy van 1928 tot 1934
heeft gevent met de artikelen visch en aardappelen,
groenten en fruit. Deze mededeeling wordt gestaafd
door een verklaring van een agent van politie, geda-
teerd 28 Januari 1936, waarin staat vermeld, dat be-
doelde agent, Tuin een zestal jaren als koopman en
straatventer in de bovengenoemde artikelen kent. Het
staat echter vast, dat adressant sedert October 1934
gedurende een negental maanden heeft gewerkt in een
palensleepery; sedert 16 December 1935 geniet hy steun
van het Gemeentelyke Bureau voor Maatschappelyken
Steun. De verklaring van den agent van politie kan op
grond van het bovenstaande onmogelyk juist zyn. Adres-
sant heeft verschillende malen gepoogd, in het bezit
te komen van een erkenningskaart van de Nederlandsche
Groenten- en Fruitcentrale; dit is hem echter tot nu
toe niet gelukt, onder andere op grond van het feit,
dat niet is komen vast te staan, dat adressant sedert
1933 zelfstandig in den handel in groenten of fruit
is werkzaam geweest.
De heer Seegers deelt mede, dat zyn organisatie destyds een onderzoek
heeft ingesteld in verband met adressant's aanvrage
voor een erkenningskaart. Het bleek echter onmoglyk
om vast te stellen, dat Tuin sedert 1933, in welken
vorm ook, kleinhandel heeft gedreven. Spreker's organi-
satie heeft adressant dan ook niet als venter erkend.
De Commissie is eenstemmig van meening, dat, aangezien
niet is komen vast te staan, dat adressant in 1933 van
het venten te Amsterdam zyn beroep heeft gemaakt, zy
geen vryheid kan vinden op de onderhavige aanvrage
gunstig te adviseeren.
Verzoek van A.Eggers om hem opnieuw in het bezit van
zyn ventvergunning te stellen; om advies aan de Com-
missie gezonden onder No.156 L.M.1938.
De Voorzitter deelt mede, dat een aan Eggers verleende ventvergun-
ning op 26 Maart jl. is ingetrokken, op grond van de
overweging, dat Eggers het geven van aalmoezen uitlokt Dit document bevat de beraadslagingen over twee specifieke gevallen betreffende de straathandel:
- Geval Tuin: De adressant (Tuin) claimt al jarenlang (sinds 1928) een straatventer te zijn in vis, aardappelen en groenten. Hoewel een politieagent dit bevestigt, wordt zijn verklaring in twijfel getrokken omdat Tuin in 1934-1935 in een "palensleepery" werkte en daarna van de steun leefde. Omdat hij niet onomstotelijk kan bewijzen dat hij sinds 1933 onafgebroken zelfstandig in de handel werkzaam is geweest, wordt zijn aanvraag voor een officiële erkenningskaart unaniem afgewezen.
- Geval A. Eggers: Eggers verzoekt om herstel van zijn ventvergunning. Deze was eerder ingetrokken op de opmerkelijke grond dat zijn wijze van venten "het geven van aalmoezen uitlokt". Dit suggereert dat zijn handelstactiek meer weg had van bedelarij dan van legitieme handel, wat destijds een reden was voor intrekking van de vergunning. Dit document stamt uit de late jaren '30, een periode gekenmerkt door de naweeën van de Grote Depressie. In deze tijd was er sprake van een strikte regulering van de straathandel in steden als Amsterdam. De overheid en organisaties zoals de Nederlandsche Groenten- en Fruitcentrale probeerden het aantal venters te beperken en te professionaliseren om 'oneerlijke concurrentie' en overlast te voorkomen.
Veel werklozen die in de "Steun" (sociale uitkering) zaten, probeerden hun inkomen aan te vullen door te venten, maar stuitten op complexe bureaucratische eisen. De bewijslast voor continuïteit in het beroep (in dit geval de referentiedatum 1933) was streng. Het document illustreert de nauwe controle door de politie en de sociale dienst op het doen en laten van burgers die aanspraak maakten op handelsrechten of ondersteuning. A. Eggers Seegers (De heer) Politie