Verslag/notulen van een commissievergadering (pagina 3).
Origineel
Verslag/notulen van een commissievergadering (pagina 3). -3-
De heer Presser voegt hieraan toe, dat Pach tot 1931 lid van zijn organisatie is geweest. Zijn verdere informaties zijn uit de kringen van den handel¹.
De Voorzitter stelt nogmaa's vast, dat uitgemaakt moet worden of Pach tot in 1933 van het venten hier ter stede zijn beroep heeft gemaakt. Hij heeft op de oproeping van het Raadhuis niet gereageerd, omdat hij in Juli 1933 naar Hilversum verhuisde. Vast is komen te staan, dat hij in 1932 hier ter stede ventte; min of meer aannemelijk is het echter bovendien, dat hij tot in de eerste helft van 1933 hier ter stede heeft gevent. In December 1932 is aan Pach namelijk een duplicaat van zijn opkoopersvergunning uitgereikt. Dit maakt het volgens spreker aannemelijk, dat Pach toen nog belangen hier ter stede bij het opkoopersbedrijf had.
De heer Seegers herhaalt zijn in de vorige vergadering gedane waarschuwing, dat reeds vele houders van oude opkoopersvergunningen voor een ventvergunning zijn afgewezen, omdat zij niet omstreeks September 1933 hier ter stede hebben gevent of opgekocht. Pach kan hoogstens tot Juni/ Juli 1933 hier ter stede gevent hebben; is dat "omstreeks September"? Spreker kan zich daarmede vereenigen, doch hij zou toch wel op dit precedent de aandacht willen vestigen.
De Voorzitter stelt hierop voor een gunstig advies uit te brengen, op grond van twee feiten, namelijk, dat Pach vele jaren opkooper van beroep is geweest en dat hij nog in December 1932 een duplicaat- opkoopersvergunning heeft aangevraagd en verkregen, weshalve mag worden aangenomen, dat hij tot in 1933 - volgens zijn eigen verklaring tot Juli 1933 - van het venten hier ter stede zijn beroep maakte. Hij heeft dit beroep hier ter stede gestaakt toen hij naar Hilversum verhuisde.
Met dit advies kunnen de leden zich vereenigen, uitgezonderd het lid Presser. Dit lid is van oordeel, dat Pach te lang geleden het opkoopersberoep te Amsterdam heeft verlaten, terwijl hij bovendien niet heeft kunnen bewijzen, omstreeks September 1933 dit beroep te hebben uitgeoefend.
Vervolgens stelt de Voorzitter aan de orde punt 4 der agenda:
Bespreking inzake eventueele intrekking wegens bedelarij der ventvergunningen van vijf venters met strijkjes en speldjes.
De Voorzitter deelt mede, dat het hinderlijke optreden van deze categorie venters reeds in de 62ste vergadering der Commissie van 23 September 1938 een punt van bespreking heeft uitgemaakt. In ver-
--- Dit document biedt een inkijkje in de strikte regulering van straathandel en het opkopersberoep in de late jaren '30. De kern van de discussie op deze pagina is tweeledig:
-
De zaak Pach: Er wordt gedebatteerd over het recht van een zekere heer Pach op een ventvergunning. De cruciale vraag is of hij in september 1933 nog actief was als handelaar in Amsterdam. Hoewel hij in juli 1933 naar Hilversum verhuisde, pleit de voorzitter voor een welwillende interpretatie omdat Pach decennialang in het vak zat en eind 1932 nog een officiële vergunning had verlengd. Er is sprake van bureaucratische stritheid waarbij een verschil van enkele maanden (juli versus september) bepalend is voor het levensonderhoud van de betrokkene.
-
Handhaving en Bedelarij: Het tweede deel van het document (punt 4 van de agenda) verschuift de focus naar repressie. De commissie overweegt de intrekking van vergunningen van venters die "strijkjes" (lucifers) en "speldjes" verkopen. De officiële reden is "bedelarij" en "hinderlijk optreden". Dit duidt op een beleid waarbij kleinschalige straathandel, die vaak een vermomde vorm van armoedebestrijding was, steeds nauwer werd gecontroleerd of zelfs verboden onder de noemer van openbare orde.
--- De tekst moet geplaatst worden in de context van de economische crisis van de jaren '30 en de daaropvolgende verscherping van gemeentelijke verordeningen.
- Sociale context: Straathandel en het beroep van "opkooper" (handelaar in oude metalen, lompen of tweedehands goederen) waren in Amsterdam traditionele beroepen voor de onderklasse, waaronder een aanzienlijk deel van de Joodse bevolking (gezien de namen Presser en Pach is dit zeer aannemelijk). In tijden van hoge werkloosheid namen velen hun toevlucht tot het venten met kleine waren (zoals de genoemde strijkjes).
- Beleidscontext: De gemeente Amsterdam probeerde de straathandel te beperken door strenge eisen te stellen aan "historische rechten". De datum september 1933 fungeerde blijkbaar als een peildatum voor de geldigheid van oude rechten.
- Historische schaduw: Gezien de datering (eind 1938) bevindt dit overleg zich aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. De administratieve precisie waarmee vergunningen werden gecontroleerd en ingetrokken, zou later door de bezetter worden gebruikt en misbruikt om specifieke bevolkingsgroepen economisch te marginaliseren. De "hinderlijke" venters die speldjes verkochten, waren vaak de armste burgers die geen ander uitweg zagen dan deze vorm van 'verkapte bedelarij'. De Voorzitter de heer Presser de heer Seegers de heer Pach (aanvrager).