Uittreksel uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Origineel
Uittreksel uit het Boek der Besluiten van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. [Stempel rechtsboven:]
Markt
Nº 86/11/66
1940 19/11
[Hoofdtekst:]
No. 63/120 LM. 1940 Restitutie ventgeld.
E x t r a c t
uit het Boek der Besluiten van
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam.
Vrijdag, 8 November 1940.
Op voorstel van den Wethouder voor de Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen wordt het volgende besluit genomen:
Burgemeester en Wethouders van Amsterdam;
Gezien het verzoekschrift dd. 20 October 1940 (No. 63/120 LM.-1940) van Evert Onderstal, Govert Flinckstraat 229^I, om restitutie van ventgeld, aangezien hij door zijn verblijf onder de wapenen niet in staat was zijn ventersberoep uit te oefenen;
Overwegende, dat belanghebbende van 25 Augustus 1939 tot 12 October 1940 voor mobilisatie onder de wapenen vertoefde, terwijl hij het ventgeld van de ventvergunning Serie 17 No. 97 voor het boekjaar 1939/1940 en 1940/1941 heeft voldaan:
Gelet op art. 36 van de Verordening op de heffing van markt-, standplaats en ventgelden:
B e s l u i t e n :
aan E. Onderstal, Govert Flinckstraat 229^I, op gronden van billijkheid restitutie van ventgeld te verleenen tot een bedrag groot ƒ.4.- (zijnde ƒ.3.- over het boekjaar 1939/1940 en ƒ.1.- over het boekjaar 1940/41).
Afschrift van dit besluit zal worden gegeven aan de afdeelingen Levensmiddelen, Wasch- en schoonmaak-, bad- en zweminrichtingen en Financiën (2 stuks).
[Onderschrift:]
H [paraf]
Voor eensluidend extract,
de Secretaris,
(get.) VAN LIER. [blauw stempel] Dit document betreft een administratieve beslissing van het college van Burgemeester en Wethouders (B&W) van Amsterdam om een burger, Evert Onderstal, financieel tegemoet te komen. Onderstal was een straatverkoper (venter) die woonde in de Govert Flinckstraat in de Pijp.
De kern van de zaak is "billijkheid": Onderstal had vooruitbetaald voor zijn ventvergunning voor de jaren 1939 en 1940. Echter, door de algehele mobilisatie van het Nederlandse leger (die begon op 28 augustus 1939) moest hij "onder de wapenen". Hierdoor kon hij zijn beroep niet uitoefenen. Het college besluit hem daarom een totaalbedrag van 4 gulden terug te betalen.
Opvallend is de gedetailleerde uitsplitsing van de bedragen (3 gulden voor 1939/40 en 1 gulden voor 1940/41) en de verwijzing naar de specifieke verordening die dergelijke restituties mogelijk maakt. De ondertekening geschiedt door de gemeentesecretaris, P.J.M. van Lier. Het document is gedateerd op 8 november 1940, zes maanden na het begin van de Duitse bezetting van Nederland. Ondanks de bezetting bleven de gemeentelijke bureaucratie en de normale ambtelijke procedures in deze periode grotendeels intact.
De tekst illustreert de nasleep van de mobilisatieperiode (augustus 1939 - mei 1940). Veel mannen die na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 uit militaire dienst werden ontslagen, keerden terug naar hun civiele leven en probeerden hun financiële zaken af te wikkelen. Voor kleine zelfstandigen, zoals deze venter, was een bedrag van 4 gulden (vergelijkbaar met ongeveer 35 tot 40 euro in huidige waarde) een significante correctie voor gederfde inkomsten en onnodig betaalde leges tijdens hun diensttijd.