Administratief bijblad/notitie (Algemene Zaken Model No. 14).
Origineel
Administratief bijblad/notitie (Algemene Zaken Model No. 14). 1 januari 1941 – 3 februari 1941. [Linkerbovenhoek, stempel/kader:]
BIJBLAD VAN:
M. No. 100/10/25 193[..]
DOORGEZONDEN: 31/12
[Rechtsboven, handgeschreven in inkt:]
In voorraad op 1 Januari '41
242 Liter benzine, tevens in
Prent's pompstation in opslag 330 Lit.
Adam 2 Jan '41.
[Handtekening: Jonkman]
[Midden, handgeschreven in potlood/lichte inkt:]
rv [?]
Tel. mededeeling bij Jonkman :
geen benzine meer in voorraad.
31.1.'41
[Onderaan, groot in rood krijt/potlood:]
100 / 3 / 17
[Onder het rode nummer, handgeschreven:]
3/2/41 [paraaf]
[Linkeronderhoek, gedrukte tekst:]
Alg. Zaken Model No. 14
10.000-10-1937-1016 Het document is een interne administratieve notitie betreffende de brandstofvoorraad aan het begin van 1941. Uit de tekst valt op te maken dat er op 1 januari 1941 nog een totale reserve was van 572 liter benzine (242 liter op de hoofdlocatie en 330 liter in opslag bij "Prent's pompstation").
Opvallend is de latere toevoeging van 31 januari 1941. Hierin wordt via een telefonische mededeling ("Tel. mededeeling") geconstateerd dat de voorraad volledig is uitgeput. De snelheid waarmee deze voorraad (ruim 500 liter) in één maand is verdwenen, is typerend voor de schaarste in de vroege oorlogsjaren. Het grote rode nummer (100/3/17) duidt op een centrale archivering binnen het classificatiesysteem van de betreffende instantie (waarschijnlijk Gemeente Amsterdam, gezien de afkorting "Adam"). Tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) werd benzine vrijwel direct na de inval een schaars goed. Al in 1940 werd de distributie streng gereguleerd en was brandstof alleen beschikbaar voor vitale diensten of met speciale vergunningen.
Dit document weerspiegelt de nauwgezette bureaucratie waarmee de weinige resterende middelen werden gemonitord. De vermelding van een specifiek privaat pompstation ("Prent's") suggereert dat de overheid gebruikmaakte van externe opslagcapaciteit. De datum van de laatste aantekening (31 januari 1941) valt vlak voor de Februaristaking, een periode van toenemende spanningen en tekorten in Amsterdam.