Archief 745
Inventaris 745-343
Pagina 37
Dossier 48
Jaar 1941
Stadsarchief

Getypte rapportage (doorslag of origineel op dun papier).

Vermoedelijk eind december 1940 of begin januari 1941 (verwijst naar een bespreking op 20 december jl. en een prognose voor de periode januari-april 1941).

Origineel

Getypte rapportage (doorslag of origineel op dun papier). Vermoedelijk eind december 1940 of begin januari 1941 (verwijst naar een bespreking op 20 december jl. en een prognose voor de periode januari-april 1941). Bladzijde 2.

De vraag rijst, gezien de cijfers betreffende de voorraden (ook die bij winkeliers aanwezig zijn) en die betreffende het geschatte verbruik, welke tijdens de laatste bespreking op 20 December jl. genoemd werden, of de aanvankelijk voorgenomen uitbreiding van den opslag met 1400 vaten nog wel noodig is. Immers het verbruik wordt getaxeerd op 10.000 vaten gedurende de periode van 1 Januari tot 30 April 1941. De voorraad, welke bij winkeliers aanwezig is, wordt voorzichtig geschat op 6500 vaten boonen en andijvie en 1000 vaten zuurkool. Totaal 7500 vaten. Hierbij komen de 1100 vaten, welke reeds voor de Gemeente zijn gereserveerd. Dit maakt tezamen uit: 8600 vaten. Bovendien kan de hoeveelheid zuurkool te leveren door de zuurkoolfabrieken [met handgeschreven correctie erboven: fabrikanten] aan de grossiers in het aanstaande voorjaar, worden gesteld op 4000 vaten. De grossiers maken hierbij het voorbehoud, dat deze vaten eventueel niet voor export zouden worden gevorderd.

De grossiers hebben momenteel zelf nog een voorraad van 900 vaten groente, welke eventueel zouden worden opgenomen in de extra-reserve van 1400 vaten. De opvatting van de grossiers, dat ze deze vaten, indien ze niet krachtens overeenkomst met de Gemeente zouden worden geblokkeerd, voor een belangrijk gedeelte buiten Amsterdam zouden worden verkocht, kan ik niet deelen. De grossiers zijn immers verplicht, voor het behoud van hun normale clientele, mede met het oog op den verkoop van andere artikelen, te zorgen dat zij deze clientèle zoo lang mogelijk kunnen bedienen. Het is niet aan te nemen, dat zij dus een belangrijk deel van deze 900 vaten naar buiten zullen verkoopen, zonder dat zij de zekerheid hebben, dat zij deze artikelen op andere wijze kunnen aanvullen ten behoeve van hun normalen afzet onder de Amsterdamsche winkeliers.

Op grond van een en ander mag mijns inziens worden aangenomen, dat de positie ten aanzien van de vatgroentenvoorziening van Amsterdam niet onrustbarend behoeft te worden geacht, zelfs als niet wordt overgegaan tot aanvulling van het loopende contract met 1400 vaten groente. * Kernvraag: Moet de gemeente Amsterdam het contract voor de reserve-opslag van groenten uitbreiden met 1400 vaten?
* Kwantitatieve argumentatie: De auteur rekent voor dat de totale beschikbare voorraad (8.600 vaten bestaande uit winkelvoorraad en gemeentelijke reserve) plus de verwachte levering van zuurkool (4.000 vaten) ruim voldoende is om het geschatte verbruik van 10.000 vaten tot eind april 1941 te dekken.
* Conflict met grossiers: Er is sprake van een spanningsveld tussen de gemeente en de groothandelaren (grossiers). De grossiers dreigen hun eigen voorraad (900 vaten) buiten de stad te verkopen als de gemeente deze niet "blokkeert" (vastlegt in reserve). De auteur van het rapport wuift dit dreigement weg met de logica dat grossiers hun eigen klanten (de Amsterdamse winkeliers) niet in de steek zullen laten om hun marktpositie te behouden.
* Conclusie: De voedselsituatie wat betreft vatgroenten is stabiel; de extra investering/uitbreiding van het contract is niet nodig. Dit document stamt uit de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De voedselvoorziening werd in deze periode strikt gereguleerd door gemeentelijke en landelijke instanties (zoals het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd).

Vatgroenten (groenten geconserveerd in zout of door melkzuurgisting, zoals zuurkool en gezouten snijbonen) waren cruciaal voor de wintervoorraad van steden, omdat verse groenten schaars waren. Het document illustreert de bureaucratische nauwkeurigheid waarmee voorraden werden geteld en gepland om hongersnood of tekorten te voorkomen, evenals de strijd om controle over distributie tussen de overheid en de vrije handel. De vrees voor "vordering voor export" (waarschijnlijk naar Duitsland) klinkt door in het voorbehoud van de grossiers.

Samenvatting

  • Kernvraag: Moet de gemeente Amsterdam het contract voor de reserve-opslag van groenten uitbreiden met 1400 vaten?
  • Kwantitatieve argumentatie: De auteur rekent voor dat de totale beschikbare voorraad (8.600 vaten bestaande uit winkelvoorraad en gemeentelijke reserve) plus de verwachte levering van zuurkool (4.000 vaten) ruim voldoende is om het geschatte verbruik van 10.000 vaten tot eind april 1941 te dekken.
  • Conflict met grossiers: Er is sprake van een spanningsveld tussen de gemeente en de groothandelaren (grossiers). De grossiers dreigen hun eigen voorraad (900 vaten) buiten de stad te verkopen als de gemeente deze niet "blokkeert" (vastlegt in reserve). De auteur van het rapport wuift dit dreigement weg met de logica dat grossiers hun eigen klanten (de Amsterdamse winkeliers) niet in de steek zullen laten om hun marktpositie te behouden.
  • Conclusie: De voedselsituatie wat betreft vatgroenten is stabiel; de extra investering/uitbreiding van het contract is niet nodig.

Historische Context

Dit document stamt uit de vroege fase van de Duitse bezetting van Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. De voedselvoorziening werd in deze periode strikt gereguleerd door gemeentelijke en landelijke instanties (zoals het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd).

Vatgroenten (groenten geconserveerd in zout of door melkzuurgisting, zoals zuurkool en gezouten snijbonen) waren cruciaal voor de wintervoorraad van steden, omdat verse groenten schaars waren. Het document illustreert de bureaucratische nauwkeurigheid waarmee voorraden werden geteld en gepland om hongersnood of tekorten te voorkomen, evenals de strijd om controle over distributie tussen de overheid en de vrije handel. De vrees voor "vordering voor export" (waarschijnlijk naar Duitsland) klinkt door in het voorbehoud van de grossiers.

Kooplieden in dit dossier 32

A 46 kg p. 100 stuks Nieuwmarkt niet opgenomen
Andijvie - vaten 40
B 38 kg p. 100 stuks
T.H. Roelofs 17.33
C 30 kg p. 100 stuks
E. Kool 600
E. Kool 600
I 20-25 cm ø Nieuwmarkt niet opgenomen
I A 16 à 20 kg p. 100 stuks 0,12 0,10 0,06
II 16-20 cm ø
KG Blikgroenten 64300
KG. Koolrapen 215300
Daniel Kool 250200
K.G. Savoie 353800
V. Tuien 270900
KG. Wortelen 413100
G.W.J. Bos idem
R. Kool 250.200
R. Kool 0,20 0,15 0,12
R. Kool 250.200
Salomon Kool 353.800
Salomon Kool 353.800
Salomon Kool Nieuwmarkt niet opgenomen
Boonen 30
Stuks groene " 600
A. Witte 0,30 0,20 0,12
W. Kool 7.000
Alle 32 kooplieden →