Getypte notulen/verslag van een vergadering.
Origineel
Getypte notulen/verslag van een vergadering. 20 december 1940. N o t i t i e s van een bespreking met vertegenwoordigers van den Groentenhandel en den Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening op Vrydag 20 December 1940.
A a n w e z i g : van den Centralen Dienst: de Directeur de heer Smeets;
van het Marktwezen: de waarnemend directeur de heer C.F.Sixma en de bedryfschef de heer J.Broerse;
van den handel: de heeren Wynschenk Sr., Van Bladeren, Dykstra en Kramer.
Voorraadvorming Centrale Markt.
Reserveering van vatgroenten.
De heer Wynschenk stelt de vraag, of rekening is gehouden met de enorme voorraden, die aanwezig zyn by de winkeliers. Het is hem byvoorbeeld bekend, dat de winkelier Lindeman 300 vaten vatgroenten in voorraad heeft en de winkelier Looyen 150 vaten. In het algemeen kan men stellen, dat 80% der winkeliers (1000 winkeliers) ieder zeker 10 à 15 vaten vatgroenten heeft opgeslagen. Bovendien moet men den opslag by particulieren, die vry beduidend is, niet uit het oog verliezen.
De heer Kramer zegt, dat buiten hetgeen thans reeds voor de Gemeente is gereserveerd (1100 vaten) nog by de grossiers op de Centrale Markt aanwezig is: 398 vaten andyvie, 235 vaten spercieboonen, 258 vaten snyboonen, dat is dus totaal 891 vaten vatgroenten. De zuurkool staat hiet nog geheel buiten; de aflevering door de fabrieken van dit artikel moet nog beginnen.
De heer Wynschenk acht het gewenscht, dat een aantal vaten zuurkool wordt gereserveerd. Spreker deelt mede, dat de Deensche witte kool momenteel niet meer mag worden verwerkt. Men mag aannemen, dat hierdoor vermoedelyk reeds half Februari verschillende fabrieken van zuurkool zullen zyn uitverkocht. Van de aanwezige voorraad witte kool is 50% bestemd voor export, terwyl 50% in het binnenland moet worden verkocht. Hetgeen van de 50% voor het binnenland onverkoopbaar blyft, wordt later eveneens geëxporteerd. De 50%, bestemd voor het binnenland, mag echter niet verwerkt worden tot zuurkool. Spreker acht dit zeer onbillyk, omdat tenslotte de zuurkool toch ook voor het binnenland bestemd is.
XXXXXXXX
De heer Dykstra wyst erop, dat Amsterdam zich niet mag vergelyken met Rotterdam als het er om gaat welke voorraden deze twee steden hebben opgeslagen. Men moet immers niet vergeten, dat de winkeliers in Rotterdam vrywel geen voorraad hebben kunnen aanleggen; ditzelfde geldt voor het publiek. Plus minus 1100 straten in Rotterdam's centrum zyn vernield. Dus slechts de winkels in de nieuwe buurten hebben eenigen voorraad kunnen maken. Daar staat tegenover, dat zoowel winkeliers als het koopend publiek te Amsterdam zich volledig hebben gedekt. Spreker zegt, dat de handel spreekt over een belachelyke aankoop van de steden Rotterdam en Den Haag aan vatgroenten. Deze voorraad kunnen zy zeker dezen winter niet opruimen.
De Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening onderschryft het standpunt van den heer Dykstra voor wat Rotterdam betreft; doch dit gaat niet op ten aanzien van Den Haag en andere steden in het land, die eveneens enorme aankopen doen.
De Directeur van het Marktwezen zegt, dat men moet trachten te komen tot een taxatie van wat er is en wat er voor consumptie noodig is om aan de hand van het resultaat te bepalen, wat er eventueel nog moet worden gedaan. Uit de cyfers van den heer Wynschenk valt af te leiden, dat er by de winkeliers reeds een voorraad zou zyn van globaal 8000 vaten, waarby dan komt, hetgeen er onder de Gemeente is opgeslagen en hetgeen de grossiers nog in voorraad hebben. Hoe kan men komen tot een benadering van het verbruik.
XXXXXXXX
De heer Kramer zet uiteen, dat vanaf Januari tot en met April gerekend kan worden naar ruwe schatting op een consumptie van 4000 vaten zuurkool en 6000 vaten andere vatgroenten, dat is dus in totaal 10.000 vaten. Daarvan is thans zeker by de winkeliers aanwezig: 7500 vaten vatgroenten. Het is spreker bekend, dat 6000 zakken zout aan de winkeliers zyn geleverd voor het inmaken van vatgroenten. Hiervan kan men 7500 vaten met groente maken. Dit betreft dus de vatgroenten, die de winkeliers zelf hebben ingemaakt. Men moet dit aantal dus als een minimum beschouwen, want daarnaast hebben de winkelj... [tekst breekt af] * Kernproblematiek: Het veiligstellen van de wintervoorraad groenten (conservering via inmaak in vaten) tijdens de eerste winter van de Duitse bezetting. Er is een spanningsveld tussen de aanwezige voorraden bij winkeliers/particulieren en de officiële distributie/reserveringen door de overheid.
* Belanghebbenden:
* Overheid: Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening en het Marktwezen (gericht op regulering en centrale opslag).
* Handel: Vertegenwoordigers die wijzen op de reeds aanwezige 'vrije' voorraden in de winkels om te voorkomen dat de overheid onnodig grote centrale voorraden aanlegt of exporteert wat lokaal nodig is.
* Opvallende details:
* Zuurkool-crisis: Er is een dreigend tekort aan zuurkool door een verbod op het verwerken van Deense witte kool. De spreker (Wynschenk) klaagt over de exportquota (50%) terwijl de eigen bevolking het nodig heeft.
* Zelfvoorziening: Het feit dat winkeliers zelf 6000 zakken zout hebben gekocht om groenten in te maken, duidt op een grote mate van eigen initiatief buiten de officiële kanalen om.
* Taalgebruik: Typisch ambtelijk/formeel Nederlands uit de jaren '40 (bijv. "onbillyk", "andyvie", "cyfers", "bedryfschef"). Dit document stamt uit december 1940, de eerste winter van de Tweede Wereldoorlog in Nederland. De voedselvoorziening werd een kritiek punt. De bezetter voerde een strak distributiesysteem in, maar in deze vroege fase probeerden Nederlandse instanties (zoals de Levensmiddelenvoorziening) nog grip te krijgen op de werkelijke voorraden.
Bijzonder historisch waardevol is de expliciete verwijzing naar de situatie in Rotterdam. De opmerking over de "1100 straten in Rotterdam's centrum" die vernield zijn, verwijst direct naar het bombardement van 14 mei 1940. Dit illustreert de enorme impact van de verwoesting op de logistiek en de mogelijkheid voor burgers en winkeliers in die stad om wintervoorraden aan te leggen, in schril contrast met Amsterdam dat fysiek nagenoeg ongeschonden was. Het document toont de spanning tussen steden en het begin van de schaarste die de oorlogsjaren zou kenmerken.