Verslag/Notulen van een vergadering (getypt).
Origineel
Verslag/Notulen van een vergadering (getypt). Omstreeks december 1940 / januari 1941 (gebaseerd op genoemde deadlines). nog gekocht (Lindeman en Booyen tezamen reeds 450 vaten). De handel acht het onaannemelyk, dat de winkeliers deze voorraad vatgroenten zal verkoopen aan andere steden. De volgende voorzichtige opstelling wordt daarna gemaakt van de geschatte voorraad vatgroenten (zonder zuurkool) in Amsterdam: geschat 800 winkeliers tegen gemiddeld 8 vaten = 6500 vaten. Aan zuurkool wordt de voorraad by de winkeliers geschat op 1000 vaten; tezamen dus 7500 vaten. Er is reeds voor de Gemeente gereserveerd: 1100 vaten. In totaal 8600 vaten. Hieruit kan worden geconcludeerd, dat nog 1400 vaten moeten worden gereserveerd, om te komen tot het totaal aantal van 10.000 vaten, hetgeen voor de consumptie van Amsterdam voor het winterseizoen benoodigd is.
De heer Wynschenk wyst erop, dat daarby dan nog zeer waarschynlyk komen de 4000 zuurkool, welke regelmatig in het winterseizoen na 1 Januari voor den groothandel wordt afgenomen. Het is spreker bekend, dat 85% van deze zuurkool reeds by de fabrieken aanwezig is. De positie is, wat dat betreft, dus zeker niet ongunstig. Daar staat echter tegenoverm dat er natuurlyk beslag kan worden gelegd door de bezettende macht.
Vervolgens wordt gesproken over het systeem om de 1100 vaten die reeds aanwezig zyn op te voeren tot 2500 vaten groente. De handel stelt hierby voor 1400 vaten voor rekening van de Gemeente aan te koopen. Van deze 1400 vaten zyn thans reeds by den handel aanwezig: 900 vaten.
De Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening acht het niet gewenscht, dat de Gemeente deze aankopen voor haar rekening neemt. Ieder neutraal gemeenteambtenaar zal moeten erkennen, dat het door de Gemeente Amsterdam gevolgde systeem fraaier en doelmatiger is, dan het systeem, dat de andere steden hebben gevolgd.
De heer Van Bladeren zegt, dat de handel nog meer vatgroenten voor de Gemeente zou kunnen reserveeren zonder dat de Gemeente behoeft aan te koopen, indien de Gemeente de garantie geeft, dat zy einde April de onverkochte vaten van den handel zal afnemen, tegen pryzen, welke thans dienen te worden vastgesteld.
De Directeur van het Marktwezen zegt, dat het voorstel van den heer Van Bladeren zyns inziens aan te bevelen is. De zaak dient echter zoo geregeld te worden, dat zooveel mogelyk gezorgd wordt dat alle vaten einde April zyn verkocht.
De Directeur van den Centralen Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening zou hiermede accoord kunnen gaan, indien daarby zal worden bepaald, dat de Gemeente zeggenschap zal hebben, by het bepalen van de tydstippen, waarop de vatgroenten zullen moeten worden opgeruimd. De verkoop zal verder op de normale wyze voor de Amsterdamsche groentenwinkeliers plaatsvinden. Na ampele discussie wordt tenslotte in principe besloten, dat het contract met den handel voor de eventueele vorstperiode (tot 1 Februari 1941, uiterlyk 15 Februari 1941) van kracht blyft.
Op een desbetreffend vraag deelt
de heer Dykstra mede, dat het ten aanzien van het artikel kool beter is de positie per 1 Januari a.s. onder het oog te zien, omdat eerst dan het eigenlyke koolseizoen begint.
Vervolgens wordt het resultaat der besprekingen nader samengevat. Deze samenvatting zal door de vertegenwoordigers van de deelnemers met dezen worden besproken om aan de hand daarvan de kosten te kunnen opgeven.
De samenvatting luidt aldus:
Opslag van vatgroenten.
Het contract met den handel voor eventueele vorstperiode (tot 1 Februari 1941, uiterlyk 15 Februari 1941) blyft van kracht; de 1100 vaten vatgroenten, welke daarin zyn opgenomen, blyven dus tot bovengenoemden datum geblokkeerd en mogen slechts verkocht worden, indien de Gemeente daartoe opdracht geeft.
Daarnaast zal door den handel met ingang van een nader te bepalen datum worden ingebracht en worden opgeslagen op de Centrale Markt: 1400 vaten vatgroenten.
Deze vaten zullen uiterlyk tot 1 Mei 1941 op de Centrale Markt moeten zyn opgeslagen met dien verstande, dat de Gemeente na 1 Januari 1941 in onderling overleg met den handel zal bepalen, op welke tydstippen en in welke hoeveelheden deze vaten mogen * Kern van het document: Het verslag beschrijft de logistieke planning om de voedselvoorraad (met name groenten in vaten) voor de stad Amsterdam veilig te stellen voor de winter van 1940-1941.
* Belangrijke besluitvorming: Er wordt gedebatteerd of de gemeente de voorraad direct moet opkopen of dat een garantstelling aan de handel volstaat. Men kiest voor een systeem waarbij de handel de vaten reserveert en de gemeente een afnamegarantie biedt tot eind april 1941.
* Opvallende details:
* Er wordt gestreefd naar een totaalvoorraad van 10.000 vaten.
* Er zit een rekenfout in de getypte tekst (800 winkeliers x 8 vaten wordt gesteld op 6500, terwijl dit 6400 is).
* De invloed van de bezetting is merkbaar in de vrees van de heer Wynschenk dat de "bezettende macht" beslag kan leggen op de voorraden. Dit document stamt uit de vroege periode van de Duitse bezetting van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hoewel de beruchte Hongerwinter pas jaren later zou plaatsvinden, was de voedselvoorziening vanaf het begin van de bezetting een kritiek punt van zorg voor het gemeentebestuur.
De Centrale Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening en het Marktwezen probeerden door middel van strakke regie en afspraken met de private handel (zoals de firma's Lindeman en Booyen) tekorten en prijsstijgingen te voorkomen. De vaten waarover gesproken wordt, bevatten geconserveerde groenten (zoals zuurkool en andere ingelegde producten), die essentieel waren voor de vitaminevoorziening wanneer verse groenten door vorst of schaarste niet beschikbaar waren.