Getypt onderzoeksplan/schema op papier.
Origineel
Getypt onderzoeksplan/schema op papier. Schema van het onderzoek.
"DE KLEINHANDELSMARKTEN VAN AMSTERDAM".
Ieder der aan het onderzoek deelnemende studenten maakt een scriptie over één markt.
De volgende onderwerpen, betreffende iedere markt zouden in genoemde scripties voor bestudeering in aanmerking komen.
I. Geografische ligging en oorsprong der markt.
1) Waar is de markt gevestigd?
2) Sedert wanneer?
3) Welke zijn de oorzaken van deze vestiging?
4) Voor zoover mogelijk onderzoeken op welke plaatsen de markt eventueel vroeger gevestigd is geweest.
II. Aard van de markt.
1) Aard van de waren.
2) Frequentie van de markt. (Bijv.dag- of weekmarkten.)
III. De waren.
1) Aard en herkomst der op de markt verhandelde waren. Vergl.II-1.
2) Haar qualiteit. (Hoe gecontrôleerd.)
3) Haar prijs. (Worden de marktwaren concurreerend aangeboden? Prijs en qualiteit der marktwaren dienen vergeleken te worden met die van de door de winkeliers verkochte gelijksoortige artikelen in de omgeving van de markt.)
4) Oorzaken van de conurrentiemogelijkheid van de markt.
a) algemeene factoren (bijv.de vaste lasten verhoogen bij den markthandel den kostprijs van het product doorgaans minder dan bij den winkelier.)
b) de invloed van het "economisch incident" (tweedehands waren, "ramschers", faillissementen enz.)
c) De marktkoopman kan tengevolge van zijn grooter contact met het publiek vermoedelijk sneller aanzienlijke quanta verkoopen dan de winkelier. Dit is vooral van beteekenis voor de aan bederf onderhevige goederen (bijv.groente, fruit, bloemen en visch).
IV. De kooplieden.
1) Plaats van herkomst, woonwijk, ras, nationaliteit, geslacht en leeftijd der kooplieden.
2) Hun geografische verspreiding wat hun woon- en marktplaats betreft.
3) Hun sociaals-economische functie. (Vergl.III-4 a,b,c.)
4) Vereischte qualiteiten voor hun beroep.
A. Warenkennis en vaardigheid in het verkoopen. (Vergl. de aanwezigheid van deze eigenschappen bij de marktkooplieden en de concurreerende winkeliers.)
B. Kapitaalkracht. Nadere beschouwing van het benoodigde kapitaal voor de verschillende marktartikelen. (Groente en fruit: geringe kapitaalbehoefte; textielgoederen: groote kapitaalbehoefte.) Hoe wordt dit kapitaal verkregen? Eigen vermogen, familievermogen, leveranciers- en afnemerscrediet. Crediet buiten het bedrijf om. Kapitaalsverschaffing door de overheid (handelsgeld). Beinvloeding van het bedrijf door deze credieten. Omloopsnelheid van hun kapitaal. In hoeveel tijd verkoopt de koopman bepaalde quanta van verschillende artikelen. Zoo mogelijk aangeven de omloopsnelheid van het aangewende kapitaal.
5) De verkoop-methode der kooplieden.
Hoe trekt de koopman de aandacht van het publiek? Reclameborden, advertenties van weinig belang, wijze van uitstalling, geprijsd of ongeprijsd, loven en bieden om het publiek het genoegen van het handelen te geven, het lokken van den kooper, het beroep van den standwerker, aardigheden en luidkeels aanprijzen, de "marktschreeuw", cadeaus, kortom de "artisticiteit" van den verkoop.
--- * Structuur: Het document is een systematisch onderzoeks-draaiboek, ingedeeld met Romeinse cijfers (hoofdthema's) en Arabische cijfers (subvragen).
* Taalgebruik: Gebruik van archaïsche spelling ("bestudeering", "qualiteit", "conurrentiemogelijkheid", "quanta", "visch"). De term "ras" in punt IV-1 duidt op een sociologisch tijdsbeeld waarin dergelijke categoriseringen gebruikelijk waren in sociaal-wetenschappelijk onderzoek.
* Kernpunten: Het onderzoek richt zich op de economische dynamiek tussen markthandel en vaste winkels. Er is veel aandacht voor prijsvorming, de psychologie van het verkopen (de "artisticiteit" en de "marktschreeuw"), en de financiële huishouding van de koopman (kapitaalbehoefte en krediet).
* Methodiek: Het moedigt vergelijkend onderzoek aan (vergelijking met de reguliere detailhandel).
--- Dit schema is waarschijnlijk opgesteld voor studenten Sociale Geografie of Sociografie aan de Universiteit van Amsterdam (mogelijk verbonden aan de 'school' van S.R. Steinmetz). Amsterdam kende in de eerste helft van de 20e eeuw een bloeiende en diverse marktcultuur (zoals de Albert Cuyp, de Dapperstraat en de Jodenbreestraat). Het document getuigt van een vroege academische interesse in de informele economie en de sociaal-economische structuur van de stad. Het vermelden van "handelsgeld" door de overheid wijst op specifieke steunmaatregelen voor kleine ondernemers die destijds relevant waren.