Getypte brief (gemarkeerd als "AFSCHRIFT").
Origineel
Getypte brief (gemarkeerd als "AFSCHRIFT"). 12 oktober 1939. A. Polak, Raamgracht 25 II, Amsterdam. Wethouder van het Marktwezen der Gemeente Amsterdam. No. 20/7/4 M.1939. A F S C H R I F T.
No. 110/24 L.M.1939.
Amsterdam, 12 October 1939.
Aan denWeledel Heer
Wethouder v/h Marktwezen
der Gemeente Amsterdam.
Weledel Heer,
Ondergeteekende in het bezit van een bakvergunning voor Patates Frites
no. $\frac{50/371 \text{ A.Z.}}{50, 13 \text{ B.Z.}}$ 1938 uitgereikt 14 Maart 1938 waarin ondergeteekende een proef
tijd voor een half jaar hebt gekregen voor de Alb.Cuypmarkt en verzoekt om
daar zoover mijn bekend geen aanmerkingen zijn dezer vergunning defentief
te willen geeven.
Hoopende dat UEde mijn
verzoek zult inwilligen
verblijf ik met de meeste
Hoogachting
A.Polak
Raamgracht 25 II
Amsterdam
------- In deze brief verzoekt A. Polak de Amsterdamse wethouder van Marktwezen om een definitieve vergunning voor het bakken van patates frites op de Albert Cuypmarkt. Polak had op 14 maart 1938 een tijdelijke vergunning gekregen met een proeftijd van een half jaar. Omdat er naar zijn weten geen klachten of aanmerkingen zijn geweest over zijn werkzaamheden, vraagt hij nu, anderhalf jaar na de uitgifte, om deze status te officialiseren.
Opvallend is het taalgebruik en de spelling van die tijd, zoals "ondergeteekende", "defentief" (waarschijnlijk een typefout voor definitief) en de formele aanspreekvorm "UEde" (U Edele). Het document is een afschrift, wat betekent dat het een kopie is voor het archief of een andere afdeling. De brief is geschreven in oktober 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Europa, hoewel Nederland op dat moment nog neutraal was. De Albert Cuypmarkt was toen al een centrale en drukke plek in de Amsterdamse wijk De Pijp.
De afzender, A. Polak, woonde aan de Raamgracht 25 II, een adres in de Amsterdamse Jodenbuurt. Gezien de naam en de locatie is het zeer waarschijnlijk dat de afzender van Joodse afkomst was. In de jaren dertig probeerden veel mensen door middel van ambulante handel of marktkramen een inkomen te verwerven in een economisch uitdagende tijd. Administratieve documenten zoals deze geven een inkijkje in het dagelijks leven en de ondernemingsdrang van Amsterdammers vlak voor de Duitse bezetting van Nederland in mei 1940. Na de bezetting zouden veel van dit soort vergunningen voor Joodse ondernemers door de nazi-gevolmachtigden worden ingetrokken.