Handgeschreven brief (verzoekschrift).
Origineel
Handgeschreven brief (verzoekschrift). 2 juli 1941. J. Italiaander, Graaf Florisstraat 7 III, Amsterdam. Directie van het Marktwezen, Amsterdam. No 25/70/1 M. 1941 2/7
A’dam 2 Juli ’41
Aan de Directie van het
Markt Wezen.
Alhier.
Mijne Heeren,
Naar aanleiding van de tijds om-
standigheden, zou ik U willen verzoeken, mij
6 weken uitstel te geven om mijn
plaats in de Alb. Cuypstraat te bezetten.
Mijn artikel gloei lampen is door de erg
lange avonden waardeloos geworden.
en andere handel zooals dat vorige
jaren mogelijk was te koopen, is er nu
niet.
Daar door mij een dergelijk verzoek niet
eerder is ingediend, hoop ik, dat U het
zult billijken, en het mij zult verleenen.
U bij voorbaat dankend, verblijf ik,
Hoogachtend,
J. Italiaander
Graaf-Florisstr. 7. III
Alhier. In deze brief verzoekt J. Italiaander de Directie van het Marktwezen om een ontheffing of uitstel van zes weken voor het innemen van zijn vaste staanplaats op de Albert Cuypmarkt. Hij voert hiervoor twee belangrijke redenen aan:
- Seizoensinvloeden: Hij handelt in gloeilampen, een product waarvoor in de zomer (met de "erg lange avonden") nauwelijks vraag is.
- Schaarste door oorlogsomstandigheden: Hij geeft aan dat het door de huidige situatie ("tijdsomstandigheden") onmogelijk is om alternatieve handelswaar in te kopen, iets wat in voorgaande jaren blijkbaar wel lukte.
De toon van de brief is uiterst beleefd en formeel, wat gebruikelijk was voor correspondentie met overheidsinstanties in die tijd. De afzender benadrukt dat hij niet eerder een dergelijk verzoek heeft ingediend om zijn kans op toewijzing te vergroten. De datum van de brief, 2 juli 1941, plaatst dit document midden in de Tweede Wereldoorlog tijdens de Duitse bezetting van Nederland. De "tijdsomstandigheden" waar Italiaander naar verwijst, duiden op de toenemende schaarste en distributiemaatregelen die de handel bemoeilijkten.
Achter deze zakelijke brief schuilt waarschijnlijk een tragisch persoonlijk verhaal. Uit archieven (zoals het Joods Monument) blijkt dat een Joseph Italiaander op het adres Graaf Florisstraat 7-III woonde. Hij was een Joodse marktkoopman. In de loop van 1941 werden de maatregelen tegen Joodse burgers en ondernemers steeds strenger; vanaf september 1941 werden Joodse kooplieden zelfs geheel verbannen van de reguliere markten. Deze brief toont de wanhopige poging van een kleine ondernemer om zijn nering te behouden in een tijd van toenemende isolatie en economische uitsluiting. Joseph Italiaander en zijn gezin zijn later in de oorlog gedeporteerd en vermoord in Sobibor.